Is het boek af? vroegen verschillende mensen me de afgelopen week. Nee, was mijn antwoord, maar dat was ik ook niet van plan. Ik wilde een paar maanden intensief werken aan Duik op, Anthonis! Nog wat aanvullend onderzoek doen, de opzet van de vijftien hoofdstukken aanscherpen en al zoveel mogelijk schrijven. Dat is behoorlijk goed gelukt. Ik ben nu zover dat ik niet meer terugkan en dat ik er zeker van ben dat het boek dit jaar gereed kan zijn, zodat het volgend voorjaar kan verschijnen.
Vanaf half oktober heb ik me vrijwel dagelijks met Anthonis beziggehouden. Vaak ging dat voorspoedig, maar in de weken waarin we ons voorbereidden op de grote verhuizing in het Erasmusgebouw, waar boeken bij honderden tegelijk werden weggegooid (gedeselecteerd heet dat in bibliotheken, musea en archieven) had ik onvoldoende rust om goed door te schrijven. Ik realiseerde me in die dagen hoe belangrijk het is om in rust en omringd door aantekeningen en boeken te kunnen denken en schrijven (en dat het geen luxe is, zoals universitaire bestuurders soms denken, maar even essentieel als de beschikbaarheid van laboratoria, proeftuinen en kostbare telescopen en supermagneten).
Schrijven kwam er maar nauwelijks van. Ik gebruikte die dagen en weken dan maar om klussen van kortere adem aan te pakken, nog eens de literatuur door te spitten op zoek naar verwijzingen die ik eerder gemist had, en gedichten te lezen om te zien of ik nu beter begreep wat me eerder ontgaan was. En ik had zeker het nodige gemist. Drie voorbeelden.
Nieuwe gedichten?
In 1955 verscheen De gedichten van Anthonis de Roovere door J.J. Mak, de standaarduitgave van het werk van de Brugse rederijker. Tussen 1955 en 1995, toen ik een uitvoerig overzicht publiceerde van de toen bekende gedichten van De Roovere, kon ik aan de 94 gedichten bij Mak zeven toevoegen die met zekerheid waren toe te schrijven, terwijl ik voor 18 gedichten toeschrijving mogelijk achtte (voor sommige daarvan met grote waarschijnlijkheid, andere wat minder). De meeste van deze gedichten waren door anderen gevonden. Sinds 1995 heb ik geen nieuwe gedichten meer kunnen toevoegen, wel heb ik zes nieuwe vindplaatsen gevonden van al bekende teksten, twee daarvan de afgelopen maanden. Geen ruime oogst, maar wel kleine geluksmomenten.
| Devotieboek uit het Sint Janshospitaal te Oudenburg. Op de rechterpagina een Salve regina-vertaling van Anthonis de Roovere. Gent, UB, 1357, f. 122r |
Wat staat er nu echt?
Van onderhoorichede is een lofprijzing op de gehoorzaamheid, een deugd die hoog geacht werd, bovendien een van de geloften die religieuzen moeten afleggen als ze intreden in een kloosterorde. Eén vers uit dit gedicht, in de laatste strofe, wordt vaak geciteerd: 'Ick peysder tOostende omme op mijn werk [Ik dacht erover na in Oostende op mijn werk]'. De dichter positioneert zich hier als ambachtsman (metselaar) die aan het werk is in Oostende, mogelijk bij de wederopbouw van de plaatselijk kerk (waarvan hij in de Excellente kroniek melding maakt). De verdere inhoud van het 54-verzen lange gedicht heeft tot op heden nauwelijks aandacht gekregen terwijl het heel wat vragen oproept. De dichter begint met te benadrukken hoe eenvoudig hij is, somt tal van vormen van gehoorzaamheid op, stelt in de laatste strofe nog eens vast wat hoe deugdzaam gehoorzaamheid is, en laat weten dat hij daarover nadacht op zijn werk. Dan volgen er nog een paar raadselachtige verzen waarin de dichter schrijft dat hij de opdracht (om in dit gedicht de deugd van gehoorzaamheid te prijzen) te zwaar vond, al wil hij zijn opdrachtgever graag tevreden stellen. In de slotregels staat dan: 'Dus laet ick thuys open te deser vre / Maer die achter coempt, hy sluyte de duere [Daarom laat het ik huis op dit moment open, die na mij komt moet de deur maar sluiten]'. Wat betekenen deze verzen? Mak komt er niet uit, en anderen die over het gedicht schreven, negeerden dit probleem. Ook ik. Tot ik in december nog eens goed las. Ik zag nu dat het moet gaan om een gedicht dat is geschreven voor een refreinwedstrijd, waar leden van een rederijkerskamer antwoord moesten geven op de vraag die door hun voorman is gesteld. In dit geval zal die zijn gegaan over het belang van gehoorzaamheid.
Laat we aannemen dat Anthonis die vraag kreeg. In zijn antwoord begint hij met de vaststelling dat hij niet geleerd genoeg is, en aan het slot van het gedicht stelt hij vast dat de opdracht te zwaar was, en dat hij er tijdens het metselen over heeft nagedacht. De dichter speelt hier met de opdracht én met het onderwerp van dit gedicht, de 'onderhoorichede', door te laten zien dat hij niet gehoorzaam kon zijn omdat zijn kennis tekortschoot. De laatste verzen zijn te lezen als: ik heb mijn taak niet volbracht (het huis open gelaten) en ik hoop dat er na mij iemand komt die daar wel in slaagt. De dichter beantwoordt de vraag wel - allerlei vormen van gehoorzaamheid komen immers aan de orde - maar in een vorm die suggereert dat hij daartoe niet in staat was. Ambachtsman De Roovere zegt dat hij niet geslaagd is en stelt op die manier de vraag naar gehoorzaamheid op een inventieve en subtiele, haast ironische manier, aan de orde. En zo krijgt het gedicht meer betekenis.
Een ketters boek
In 2014 leverde ik een bijdrage aan Schokkende boeken! met een hoofdstuk over de vraag of De Roovere ooit in (levens)gevaar is geweest vanwege het schrijven van een uitermate kritisch, mogelijk zelfs ketters spel. Dit wordt namelijk gesuggereerd in een zeventiende eeuws toneelstuk uit het Westland. In mijn bijdrage, ‘Een gevaarlijk spel van Anthonis de Roovere: werkelijkheid of projectie?' bespreek ik de casus uitvoerig, ga ik in op indicaties dat zijn werk moeilijk lag, en bespreek ik passages waarin hij vaak scherpe kritiek levert op corrupte bestuurders, rechters en geestelijken. Ik concludeer dat hij welbewust de grenzen opzocht, van mening was dat oprechte leken vaak beter over geloofszaken kunnen spreken dan onkundige geestelijken - 'In Cappen is dickent plompheyt vonden Meer dan in Leecken strijpt ghecleet [In een monnikskap kom je vaak domheid tegen, vaker zelfs dan bij leken in eenvoudige kleding]' - en dat hij zich bewust was van de risico's. Maar ook dat het aan hard bewijs ontbreekt.
Zoekend in literatuur die ik lang geleden gelezen moet hebben, kwam ik een verwijzing tegen die ik indertijd genegeerd moet hebben: Un procès de relgion à Louvain. Paul de Rovere (1542-1546) van René van Santbergen (1953). Ik zal gedacht hebben dat de verwijzing ten onrechte Paul de Rovere (geen familie) voor Anthonis had gehouden. Maar nu ik het boekje eens doornam, bleek het wel degelijk van belang. Paul de Rovere was een kapelaan van de Leuvense Sint Janskerk. Hij werd, samen met anderen, verdacht van ketterse sympathieën en komt voor het gerecht om zich te verantwoorden. Het proces bracht een netwerk van protestanten aan het licht, waarvan er vijf werden terechtgesteld. Paul ontliep dat lot, maar werd levenslang gevangengezet. Tijdens het proces moet hij zich verantwoorden voor de boeken die hij heeft, en onder de verdachte titels duikt ook dit op: 'Item, codex in oblonga forma continens, uti diminus reus dicit, antiquum ludum ultra multos annos, ymmo LX annos, composuit per Anthonium de Roevere; recognoscens hujusmodi codicem manu scriptum; signatum litteris MM', ofwel: een boek in liggend formaat dat een oud spel bevat dat zestig jaar geleden is geschreven door Anthonis de Roovere. Het gaat om een handgeschreven boek, en is gemarkeerd met de letters MM (aanduiding voor de plaats in de bibliotheek van Paul de Roovere). Deze vermelding in de processtukken zegt uiteraard niets over de inhoud van het spel, maar het maakt wel duidelijk dat het werk van De Roovere opduikt in een omgeving die onder verdenking staat. Ik had het in 2014 eigenlijk niet mogen missen. Het krijgt een plaats in Duik op, Anthonis!
Nu verder
Tien van de vijftien hoofdstukken heb ik grondig onder handen gehad: het is duidelijk hoe ze eruit gaan zien, hele paragrafen zijn geschreven, en ik heb ook scherp wat ik nog wil doen. Eén hoofdstuk is min of meer af, dat waarin het Lof van den heiligen Sacramente centraal staat (het hoofdstuk waar ik tegenop zag). De rest volgt vanaf april, als het weer warmer is, de bloemen bloeien, de vogels druk zijn en de lucht uit het zuiden ons weer verwarmt.