donderdag 28 mei 2026

Over spullen en mensen. Of: wat voor academische gemeenschap willen we zijn?

Bijna altijd schrijf ik hier over literatuur en geschiedenis. Van oktober 2025 tot februari 2026 ging het over Anthonis de Roovere, en heel binnenkort duikt hij hier weer op. In de tussentijd had ik andere zaken aan mijn hoofd. Maar voor Anthonis weer tevoorschijn komt, plaats ik een stuk dat ik begin oktober 2025 schreef. Het ging niet over literatuur maar over de universiteit: over de heilloze verhuisoperatie in het Erasmusgebouw, over mijn worsteling daarmee, maar vooral ook over de vraag wat voor academische gemeenschap we willen zijn in tijden van bezuinigingen. Ik kwam het weer tegen, en vind het nu actueel genoeg om het hier te plaatsen. Ik schreef het indertijd voor Voxweb, en heb het aangeboden voor publicatie, maar het is toen niet geplaatst. Over waarom dat niet gebeurde, zal ik het maar niet hebben.

                        

Vrouwelijke docent die vrouwen leert lezen. Miniatuur in getijdenboek uit de 15e eeuw. Londen, British Library MS Harley 3828, for. 27v 


Over spullen en mensen. Of: wat voor academische gemeenschap willen we zijn?

We weten hoe het ervoor staat met de universiteiten in Nederland. Er moet flink bezuinigd worden vanwege de forse maatregelen in Den Haag, maar ook door demografische en andere factoren. Berichten over de invulling van de ‘opdracht om te besparen’ dalen al meer dan een jaar op ons neer. De ondersteunende diensten krijgen zware klappen: het gaat hier om de talrijke mensen die een cruciale bijdrage leveren aan een goed werkende organisatie, aan de universiteit als gemeenschap waarin mensen naar elkaar omzien. En al lijkt het erop dat vooralsnog docenten en onderzoekers niet ontslagen worden, ze krijgen ze nog nauwelijks nieuwe jonge collega’s. Bovendien leveren we fors aan werkruimte in. De Faculteit der Letteren vult nu nog tien verdiepingen in het Erasmusgebouw, dat zijn er vanaf januari zeven. We moeten kamers delen. En we moeten ‘ontspullen’. Goed opruimen is een deugd, leren de goeroes van het ontspullen ons, en tot op zekere hoogte is dat zeker waar. Toch is de gedachte dat boeken en aantekeningen digitaal beschikbaar zijn, geen ruimte innemen en dus weg kunnen, pijnlijk en onverantwoord. Het gaat in wat hierna volgt over spullen en mensen, en over de vraag wat een universiteit zou moeten zijn.

 

 

Erfgoed

 

Universiteiten vormen mensen en leiden hen op, verrichten onderzoek en, eigenlijk al zo lang als ze bestaan, verzamelen spullen: boeken, preparaten, planten (gedroogd in herbaria en levend in tuinen), mineralen, geprepareerde dieren, kunst en een ruime verscheidenheid aan andere objecten. Ook de Radboud Universiteit doet dat: handschriften en boeken in de Bijzondere Collecties van de Universiteitsbibliotheek; archieven en objecten van katholiek Nederland in het Katholiek Documentatie Centrum; prenten en foto’s in het Centrum voor Kunsthistorische Documentatie; skeletten, geprepareerde organen en anatomische tekeningen en modellen in het Museum voor Anatomie en Pathologie; Griekse en Romeinse munten in de Letterenfaculteit; opgezette vogels in de Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica; en nog veel meer. Dit alles is primair aangelegd als onderwijscollectie, en vaak nog steeds in gebruik, maar ook als een tastbare getuigenis van de geschiedenis van de wetenschap en de universiteit. Als zodanig vormen ze het erfgoed van de universiteit. Sinds 2020 heeft Radboud Erfgoed de zorg daarvoor gebundeld en de zichtbaarheid ervan vergroot. Daarbij is duidelijk geworden hoeveel er nog niet in kaart is gebracht. En juist die collecties en archieven staan in talrijke gangen en kamers, en in kelders onder het Erasmusgebouw en het Huygensgebouw, kortom: verspreid over de campus. We noemen dit soms ook wel ons ‘zwerfgoed’. Lang niet al dat zwerfgoed heeft erfgoedwaarde en moet bewaard blijven. Bij een recente inventarisatie en waardering van sociaalwetenschappelijke objecten bleek een gedeelte heel waardevol, maar kan er ook met goede redenen ‘gedeselecteerd’ worden, een sjiek woord voor wegdoen. Om dat zorgvuldig te kunnen doen (en dat is van belang, want weg is weg), is er tijd nodig. Eerst moet je weten wat er is, dan wat de achtergrond van die spullen is, om vervolgens te kunnen besluiten wat waardevol is (door het onderzoek dat er mee gedaan is, door de verhalen die ermee verbonden zijn) en bewaard moet blijven.

Door de haast waarmee de huidige verhuizingen plaatsvinden, is er weinig tot geen ruimte voor die zorgvuldigheid. Nog niet zo lang geleden, door de sloop van de gebouwen aan de Thomas van Aquinostraat, is er mede daardoor het nodige misgegaan. Het was een van de argumenten om Radboud Erfgoed in te stellen. In de voorbije jaren is er een erfgoedvisie ontwikkeld waarin vastgesteld wordt dat ‘voor de niet in kaart gebrachte collecties en objecten […] er een reëel gevaar [bestaat] voor verlies’. Daaruit volgt de conclusie dat er behoefte is ‘aan een integrale erfgoedvisie die voorziet in regie en in het beleggen van verantwoordelijkheden op het gebied van de zorg voor het academische erfgoed bij de Radboud Universiteit’. Het college van bestuur heeft deze conclusie op 15 augustus 2023 onderschreven en besloten dat er regie nodig is. Om te voorkomen dat we fouten uit het verleden herhalen, om zorgvuldig te kunnen selecteren, en om niet, zoals nu al gebeurt, overhaast op te ruimen, is er tijd nodig. Meer dan nu is voorzien.

 

 

Een persoonlijk verhaal?

 

Wie mij kent, zal meteen denken: Oosterman heeft zijn eigen kamer vol met boeken en aantekeningen, dus die heeft gewoon geen zin in opruimen. Vijf kasten met vakliteratuur, aantekeningen over middeleeuwse handschriften, archiefonderzoek en veel meer. Mijn pleidooi, zo kun je denken, is mede ingegeven omdat ik mijn eigen spullen wil veiligstellen. Maar ik weet dat ik niet de enige ben. De afgelopen weken sprak ik tientallen collega’s in het Erasmusgebouw, en diverse beheerders van collecties en archieven op de campus, die zich in meer of mindere mate zorgen maken over de huidige gang van zaken. Dat ik veel (maar zeker niet alle) boeken en aantekeningen wil veiligstellen, is omdat ik ze in mijn onderzoek regelmatig nodig heb. Ze vormen voor de geesteswetenschapper het onmisbare instrumentarium om te kunnen werken. Ik heb geen kamer vol boeken en archiefmappen als decoratie, maar omdat ik mijn werk daarzonder niet kan doen. Dat ik nu, net als talrijke collega’s, in een paar maanden mijn kamer moet ontruimen en op een nieuwe plek nog hooguit een of twee kasten krijg, leidt onontkoombaar tot verlies van onderzoeksgegevens. Neem je spullen dan mee naar huis, hoorde ik al in de wandelgangen. Maar ik heb die ruimte thuis niet. Bovendien horen ze op de plaats waar ik werk, waar ik onderzoek doe, op de campus. Het voelt alsof je aan een bioloog zou vragen over drie maanden de proeftuinen om te spitten (die ruimte kan immers ook voor nieuwe studentenhuisvesting gebruikt worden), en om thuis in de achtertuin ruimte vrij te maken voor experimenten.

 

 

Wat voor gemeenschap willen we zijn?

 

Een universiteit is meer dan een leerfabriek, meer dan een organisatie die er goed in slaagt om externe onderzoeksmiddelen binnen te halen. Het is een waardengemeenschap die studenten wil vormen, kritische stemmen durft toe te laten, durft te aanvaarden dat niet alles lukt, en onder ogen ziet dat niet het geven van antwoorden maar het stellen van vragen centraal moet staan. Ze vormt een academische gemeenschap van studenten, docenten en onderzoekers, portiers en schoonmakers, laboranten, conservatoren, beleidsmedewerkers en nog heel veel meer. Zij dragen allemaal bij aan het levende lichaam dat zo’n gemeenschap is.

Ook de omgeving waarin ze werken en elkaar kunnen tegenkomen, draagt daaraan bij, net als de faciliteiten voor onderzoek: leeszalen, laboratoria, practicumruimtes, kassen en tuinen, boeken en aantekeningen. Niet alles kan digitaal, niet alles kan efficiënt tot het uiterste. Als dat beleid wordt gaan mensen meer thuiswerken, zijn er minder gelegenheden voor ontmoetingen tussen staf en studenten buiten de colleges om, en hebben onderzoekers geen plaats meer waar ze zich thuis voelen en goed kunnen werken, iets dat niet alleen geldt voor de geesteswetenschappers. Wie te snel alles overhoophaalt, dreigt de gemeenschap te verstoren.

 

 

Wie zal dat betalen…

 

Dat er bezuinigd moet worden is onvermijdelijk, al zou de stem tegen die onverantwoordelijke sloop wel luider mogen klinken. En misschien mogen we ook, heel voorzichtig, rekening houden met veranderende omstandigheden na 29 oktober [dag van de Tweede Kamerverkiezingen, die toen nog voor de deur stonden]. Afbreken gaat snel, weer opbouwen is vaak nauwelijks mogelijk.

Ondertussen weet ik heel goed dat we niet ontkomen aan bezuinigingen. Ik wil er graag mijn bijdrage aan leveren. Ik zou bereid zijn salaris of onderzoeksbudget in te leveren om te werken in de omstandigheden die ik nodig heb. Laat maar weten wat het mij kost om mijn kamer te behouden, zei ik laatst. Opslagruimte of een kamer huren in de stad is immers ook prijzig, net als de zoektocht naar een groter huis.

Ik zou willen dat we de opgaven waarvoor we staan zien als gezamenlijke opgave, waarbij keuzes gemaakt worden die recht doen aan de verschillende onderzoeks- en werksituaties. Ik zou willen voorkomen dat de bezuinigingen efficiënt verlopen maar een ontredderde academische gemeenschap achterlaten. We moeten ons, zelfs nu alles onder druk staat, de vraag stellen wat voor universiteit we willen zijn. En ook wat we ervoor over hebben om die gewenste gemeenschap te koesteren en te handhaven, om te voorkomen dat de prijs die we betalen, de academische gemeenschap zelf is.

 

7 oktober 2025


vrijdag 6 februari 2026

Duik op, Anthonis! En nu verder

Is het boek af? vroegen verschillende mensen me de afgelopen week. Nee, was mijn antwoord, maar dat was ik ook niet van plan. Ik wilde een paar maanden intensief werken aan Duik op, Anthonis! Nog wat aanvullend onderzoek doen, de opzet van de vijftien hoofdstukken aanscherpen en al zoveel mogelijk schrijven. Dat is behoorlijk goed gelukt. Ik ben nu zover dat ik niet meer terugkan en dat ik er zeker van ben dat het boek dit jaar gereed kan zijn, zodat het volgend voorjaar kan verschijnen.

Jean Mièlot aan het werk (Brussel KBR MS 9278, fol. 10r)

Vanaf half oktober heb ik me vrijwel dagelijks met Anthonis beziggehouden. Vaak ging dat voorspoedig, maar in de weken waarin we ons voorbereidden op de grote verhuizing in het Erasmusgebouw, waar boeken bij honderden tegelijk werden weggegooid (gedeselecteerd heet dat in bibliotheken, musea en archieven) had ik onvoldoende rust om goed door te schrijven. Ik realiseerde me in die dagen hoe belangrijk het is om in rust en omringd door aantekeningen en boeken te kunnen denken en schrijven (en dat het geen luxe is, zoals universitaire bestuurders soms denken, maar even essentieel als de beschikbaarheid van laboratoria, proeftuinen en kostbare telescopen en supermagneten).

Schrijven kwam er maar nauwelijks van. Ik gebruikte die dagen en weken dan maar om klussen van kortere adem aan te pakken, nog eens de literatuur door te spitten op zoek naar verwijzingen die ik eerder gemist had, en gedichten te lezen om te zien of ik nu beter begreep wat me eerder ontgaan was. En ik had zeker het nodige gemist. Drie voorbeelden.

Nieuwe gedichten?

In 1955 verscheen De gedichten van Anthonis de Roovere door J.J. Mak, de standaarduitgave van het werk van de Brugse rederijker. Tussen 1955 en 1995, toen ik een uitvoerig overzicht publiceerde van de toen bekende gedichten van De Roovere, kon ik aan de 94 gedichten bij Mak zeven toevoegen die met zekerheid waren toe te schrijven, terwijl ik voor 18 gedichten toeschrijving mogelijk achtte (voor sommige daarvan met grote waarschijnlijkheid, andere wat minder). De meeste van deze gedichten waren door anderen gevonden. Sinds 1995 heb ik geen nieuwe gedichten meer kunnen toevoegen, wel heb ik zes nieuwe vindplaatsen gevonden van al bekende teksten, twee daarvan de afgelopen maanden. Geen ruime oogst, maar wel kleine geluksmomenten. 

Devotieboek uit het Sint Janshospitaal te Oudenburg. Op de rechterpagina een Salve regina-vertaling van Anthonis de Roovere. Gent, UB, 1357, f. 122r
Een ervan vond ik bij het opruimen van mijn kasten in een scriptie jaren geleden: een elfregelige vertaling van het Salve regina, die in de Rhetoricale wercken uit 1562 staat. De scriptie gaat over een zestiende-eeuws gebedenboek uit een Vlaamse klooster, nu in de UB van Gent. In de editie van de volledige tekst die deel uitmaakt van de scriptie, vond ik het tekstje. Is me dit vijftien jaar geleden niet opgevallen? Of zag ik het wel maar ben ik het weer vergeten? Het bleek zinvol nog weer tijd te besteden aan het doorkijken van al die spullen. Bij wat speurwerk op het web vond ik bovendien een nieuwe vindplaats van De Rooveres populaire Sacramentslof. Ik kende al negen versies, nu vond ik in een zeventiende-eeuws devotieboek een sterk ingekorte versie, omringd door door talrijke andere sacramentsgebeden: nummer 10.

Wat staat er nu echt?

Van onderhoorichede is een lofprijzing op de gehoorzaamheid, een deugd die hoog geacht werd, bovendien een van de geloften die religieuzen moeten afleggen als ze intreden in een kloosterorde. Eén vers uit dit gedicht, in de laatste strofe, wordt vaak geciteerd: 'Ick peysder tOostende omme op mijn werk [Ik dacht erover na in Oostende op mijn werk]'. De dichter positioneert zich hier als ambachtsman (metselaar) die aan het werk is in Oostende, mogelijk bij de wederopbouw van de plaatselijk kerk (waarvan hij in de Excellente kroniek melding maakt). De verdere inhoud van het 54-verzen lange gedicht heeft tot op heden nauwelijks aandacht gekregen terwijl het heel wat vragen oproept. De dichter begint met te benadrukken hoe eenvoudig hij is, somt tal van vormen van gehoorzaamheid op, stelt in de laatste strofe nog eens vast wat hoe deugdzaam gehoorzaamheid is, en laat weten dat hij daarover nadacht op zijn werk. Dan volgen er nog een paar raadselachtige verzen waarin de dichter schrijft dat hij de opdracht (om in dit gedicht de deugd van gehoorzaamheid te prijzen) te zwaar vond, al wil hij zijn opdrachtgever graag tevreden stellen. In de slotregels staat dan: 'Dus laet ick thuys open te deser vre / Maer die achter coempt, hy sluyte de duere [Daarom laat het ik huis op dit moment open, die na mij komt moet de deur maar sluiten]'. Wat betekenen deze verzen? Mak komt er niet uit, en anderen die over het gedicht schreven, negeerden dit probleem. Ook ik. Tot ik in december nog eens goed las. Ik zag nu dat het moet gaan om een gedicht dat is geschreven voor een refreinwedstrijd, waar leden van een rederijkerskamer antwoord moesten geven op de vraag die door hun voorman is gesteld. In dit geval zal die zijn gegaan over het belang van gehoorzaamheid.

Laat we aannemen dat Anthonis die vraag kreeg. In zijn antwoord begint hij met de vaststelling dat hij niet geleerd genoeg is, en aan het slot van het gedicht stelt hij vast dat de opdracht te zwaar was, en dat hij er tijdens het metselen over heeft nagedacht. De dichter speelt hier met de opdracht én met het onderwerp van dit gedicht, de 'onderhoorichede', door te laten zien dat hij niet gehoorzaam kon zijn omdat zijn kennis tekortschoot. De laatste verzen zijn te lezen als: ik heb mijn taak niet volbracht (het huis open gelaten) en ik hoop dat er na mij iemand komt die daar wel in slaagt. De dichter beantwoordt de vraag wel - allerlei vormen van gehoorzaamheid komen immers aan de orde - maar in een vorm die suggereert dat hij daartoe niet in staat was. Ambachtsman De Roovere zegt dat hij niet geslaagd is en stelt op die manier de vraag naar gehoorzaamheid op een inventieve en subtiele, haast ironische manier, aan de orde. En zo krijgt het gedicht meer betekenis.

Een ketters boek

In 2014 leverde ik een bijdrage aan Schokkende boeken! met een hoofdstuk over de vraag of De Roovere ooit in (levens)gevaar is geweest vanwege het schrijven van een uitermate kritisch, mogelijk zelfs ketters spel. Dit wordt namelijk gesuggereerd in een zeventiende eeuws toneelstuk uit het Westland. In mijn bijdrage, ‘Een gevaarlijk spel van Anthonis de Roovere: werkelijkheid of projectie?' bespreek ik de casus uitvoerig, ga ik in op indicaties dat zijn werk moeilijk lag, en bespreek ik passages waarin hij vaak scherpe kritiek levert op corrupte bestuurders, rechters en geestelijken. Ik concludeer dat hij welbewust de grenzen opzocht, van mening was dat oprechte leken vaak beter over geloofszaken kunnen spreken dan onkundige geestelijken - 'In Cappen is dickent plompheyt vonden Meer dan in Leecken strijpt ghecleet [In een monnikskap kom je vaak domheid tegen, vaker zelfs dan bij leken in eenvoudige kleding]' - en dat hij zich bewust was van de risico's. Maar ook dat het aan hard bewijs ontbreekt.

Zoekend in literatuur die ik lang geleden gelezen moet hebben, kwam ik een verwijzing tegen die ik indertijd genegeerd moet hebben: Un procès de relgion à Louvain. Paul de Rovere (1542-1546) van René van Santbergen (1953). Ik zal gedacht hebben dat de verwijzing ten onrechte Paul de Rovere (geen familie) voor Anthonis had gehouden. Maar nu ik het boekje eens doornam, bleek het wel degelijk van belang. Paul de Rovere was een kapelaan van de Leuvense Sint Janskerk. Hij werd, samen met anderen, verdacht van ketterse sympathieën en komt voor het gerecht om zich te verantwoorden. Het proces bracht een netwerk van protestanten aan het licht, waarvan er vijf werden terechtgesteld. Paul ontliep dat lot, maar werd levenslang gevangengezet. Tijdens het proces moet hij zich verantwoorden voor de boeken die hij heeft, en onder de verdachte titels duikt ook dit op: 'Item, codex in oblonga forma continens, uti diminus reus dicit, antiquum ludum ultra multos annos, ymmo LX annos, composuit per Anthonium de Roevere; recognoscens hujusmodi codicem manu scriptum; signatum litteris MM', ofwel: een boek in liggend formaat dat een oud spel bevat dat zestig jaar geleden is geschreven door Anthonis de Roovere. Het gaat om een handgeschreven boek, en is gemarkeerd met de letters MM (aanduiding voor de plaats in de bibliotheek van Paul de Roovere). Deze vermelding in de processtukken zegt uiteraard niets over de inhoud van het spel, maar het maakt wel duidelijk dat het werk van De Roovere opduikt in een omgeving die onder verdenking staat. Ik had het in 2014 eigenlijk niet mogen missen. Het krijgt een plaats in Duik op, Anthonis!

Nu verder

Tien van de vijftien hoofdstukken heb ik grondig onder handen gehad: het is duidelijk hoe ze eruit gaan zien, hele paragrafen zijn geschreven, en ik heb ook scherp wat ik nog wil doen. Eén hoofdstuk is min of meer af, dat waarin het Lof van den heiligen Sacramente centraal staat (het hoofdstuk waar ik tegenop zag). De rest volgt vanaf april, als het weer warmer is, de bloemen bloeien, de vogels druk zijn en de lucht uit het zuiden ons weer verwarmt.

donderdag 1 januari 2026

Feest in Mollengijs

Tijdens zijn leven en in de jaren daarna was Lof van het Heilig Sacrament veruit de meest geliefde en bekende tekst van Anthonis de Roovere. Ik schreef er een maand geleden al over. In onze tijd is dat lofdicht een lastige tekst, het zou in moderne bloemlezingen een sta-in-de-weg zijn en hedendaagse bewerkingen en ontleningen zie ik niet gauw verschijnen. Tegenwoordig is Van der Mollenfeeste in alle opzichten de nummer één. In de late Middeleeuwen is het driemaal overgeleverd (geen slechte score voor het werk van De Roovere, waarvan de meeste teksten maar in één bron bewaard zijn gebleven), maar in onze tijd ontbreekt het zelden in bloemlezingen van Middelnederlandse gedichten, en heeft het bovendien de warme belangstelling van heel wat schrijvers.


Lichte toon, zuinig begin

Van der Mollenfeeste staat in de traditie van de dodendans of 'dance macabre', maar verschilt er op beslissende punten van (ik schreef er recent over in de bundel Writing, Dancing and Performing Death Across Late Medieval Europe). Het is lichtvoetiger, zet de verantwoording die iedereen moet afleggen in het licht van de dood minder zwaar aan, en beschrijft de lange stoet van mensen die zijn opgeroepen mee te gaan naar Mollengijs, het rijk van de mollen, met mededogen en ironie:

Hoort, beste mensen, hoort mij aan,
't Zij arm of rijk, van elke stand:
U bent gehouden heen te gaan,
U allen, naar een ander land.
De Hoogste Heer stuurt Zijn gezant:
Maak voort, want om u op te drijven
Draagt hij de prikkel in zijn hand.
Hier mag u nu niet langer blijven.
    [...]
De Paus moet met zijn kardinalen
Vertrekken uit het Vaticaan
Om naar de mollen af te dalen.
Diaken, priester, Franciscaan,
Pastoor, kanunnik, kapelaan
Ook u zult spoedig emigreren.
Kom, missionarissen, treedt aan,
U kunt de mollen gaan bekeren!
   [...]
De dames die zo mooi gekleed zijn,
U, jongedames, edelvrouwen...
Zou zonder u een feest compleet zijn?
Maar lange slepen, als van pauwen,
Coiffures, robes, bonte mouwen,
Behoeft u niet als 't feest begint.
De mollen zal dat niet berouwen,
Want die zijn immers stekeblind.
   [vertaling Peter Burger]

Juist die lichte toon vormt de aantrekkelijkheid van het gedicht en maakt het zo verteerbaar voor hedendaagse lezers, eigenlijk al vanaf het einde van de negentiende eeuw. Niet iedereen was overtuigd van die zeggingskracht. Prudens van Duyse is wel heel zuinig in De rederijkkamers in Nederland (deel 2, 1902): 'Zijn Doodendans of, zoo hij het heet, Van der Mollenfeeste, is niet zeer gelukkig. Het verhevene phantastische, het verbijsterend mysterieuse, dat er in dien middeleeuwschen dans ligt, krimpt bij den Rederijker tot een alledaagsch denkbeeld'. Al eerder wees Gerrit Kalff op dit gedicht in zijn Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde in de 16de eeuw. Hij heeft weinig goede woorden over voor het werk van de Brugse rederijker, maar dit gedicht vind hij zo gek nog niet: 'Het minst onbeteekenende gedicht van De Roovere is getiteld: "Vander Mollen feeste", een soort van doodendans'.

Van Duinkerken, Ter Braak en Van Vriesland

In 1918 verschijnt het proefschrift van G.C. van 't Hoog over Anthonis de Roovere (die liefst acht waarderende pagina's besteedt aan Van der Mollenfeeste) en in 1927 publiceert Th. de Jager Anthonis de Roovere. Een keus uit zijn werk. Ze vormen de opmaat voor de grotere bekendheid en het uitgesproken positieve oordeel over het werk van de Brugse rederijker. Anton van Duinkerken speelt daarbij een belangrijke rol. In een uitvoerige bespreking van De Jagers bloemlezing kent hij het gedicht over de mollen een belangrijke plaats toe: 'Hier ligt het begin van het dichterlike zelfbewustzijn dat de renaissance kenmerkt'. Van Duinkerken haalt het gedicht uitvoerig aan in Het eeuwige carnaval (1928) en in 1936 verschijnt Dichters der Middeleeuwen,  samengesteld door W.H. Beuken en ingeleid door Anton van Duinkerken. Menno Ter Braak, die de bloemlezing op 12 april 1936 bespreekt, schrijft over 'het aangrijpende gedicht Van der Mollenfeeste van Anthonie de Roovere († 1482), dat visioen der vergankelijkheid, dat met zijn obsedeerend rhythme alle menschen jaagt naar de eenige toekomst, het rijk der mollen' en stelt vast dat het ten onrechte onbekend is. Een paar jaar later neemt Victor van Vriesland het op in de invloedrijke Spiegel van de Nederlandsche poëzie door alle eeuwen. De Rooveres 'dodendans' heeft een stevige plaats verworven in de canon van de Nederlandse poëzie.

Pleij, Wilmink en anderen

In Het gevleugelde woord (2007) schrijft Herman Pleij: 'De Rooveres ballade Van der Mollenfeeste heeft zijn roem in de Nederlandse letterkunde gevestigd'. Pleij heeft daar zelf aan bijgedragen als docent en collega van mensen als Willem Wilmink, Hans Dorrestijn, Jacques Klöters en Jacques Kruithof, die in 1979 een reeks gedichten publiceerde met als titel Van der Mollenfeeste waarin het niet gaat om wie er genodigd waren op het feest, maar hoe het eraan toeging (waarover De Roovere zwijgt). De reeks eindig met 'maar hij wàs er wel, de mol, / en zeer in zijn humeur.'

Onder schrijvers is Anthonis de Roovere bekender dan bij het brede publiek en ik heb hem ooit als een 'poets poet' betiteld. Gerrit Komrij, H.H. ter Balkt, Paul Claes en Willem van Toorn verwijzen naar zijn werk. Claes gaf Van der Mollenfeeste een plaats in zijn eregalerij van Nederlandse gedichten, Lyriek van de Lage Landen. De canon in tachtig gedichten (2008) en Van Toorn schreef het essay  'Een metselaar uit Bruggein het tijdschrift Raster. Hij schrijft hoe hij in een bloemlezing Van der Mollenfeeste aantrof, 'en toen was ik voorgoed verkocht aan Anthonis de Roovere. Het is achteraf moeilijk te bepalen waar dat in zat. In de bijna pesterige toon waarop alle hoogwaardigheidsbekleders, wereldlijke en kerkelijke, de wacht aangezegd kregen: allemaal, zonder pardon, moesten ze naar het feest van de mollen, dat beviel mij wel.' Of Van Toorn er in zijn werk toespelingen op maakt weet ik niet. Dat is wel het geval in de thriller Het mollenfeest van de Vlaamse schrijver Dominique Biebau. De acht delen van het boek beginnen elk met een citaat: 'Maeckt u ghereet', 'Alle jonghe ghesellen fijn', en zo verder tot 'Als dlichaem sal scheeden van den gheeste' voor het laatste deel.

Oud-leraar en componist

In 1955 verschijnt De gedichten van Anthonis de Roovere van J.J. Mak, de uitgave van alle gedichten die Mak kende en aan De Roovere kon (of wilde) toeschrijven. Daarna neemt het aantal publicaties over zijn werk toe en dus ook over het feest van de mol. Maar het gedicht had ook voor 1955 al een canonieke status. Een mooie illustratie daarvan werd me aangereikt door Peter Altena die wees op de novelle Droom is 't leven (1953), het debuut van Willem van Maanen, waarin de oud-leraar Brom aan de celliste Liesje Hemeling vertelt over Van der Mollenfeeste. Altena schreef er over in Nieuw Letterkundig Magazijn, en ik laat hem graag aan het woord: 'In Broms benadering van literatuur domineert het bewonderend citeren. [...]. Geen zinnig woord van analyse wordt aan de regels toegevoegd. Het citaat van De Roovere wordt ingeleid met een soort handboekenwijsheid, waarvan de houdbaarheidsdatum reeds lang overschreden lijkt: "Anthonis de Roovere, [...], een Brugse metselaar, inderdaad. Een eigenaardige verschijning in onze letterkunde, speels en toch somber."' Wie meer wil weten, ook over de band van leraar Brom met de Nijmeegse hoogleraar Brom, leze Altena.

In de zoektocht naar de bekendheid van De Rooveres gedicht stuitte ik ook op 'Van der Mollenfeeste (een oude ballade van den dood) voor gemengd koor en een orkest samengesteld uit fluiten, clarinetten, fagot en strijkinstrumenten', in 1947-1948 gecomponeerd door Herman Strategier (1912-1988) in opdracht van het Utrechts Studenten Koor en Orkest. Strategier, geboren in Arnhem en leerling van Hendrik Andriessen, was actief als docent, dirigent en organist. Hij was bovendien een heel productief componist die een groot oeuvre schreef voor heel verschillende bezettingen. Zijn werk is geliefd bij amateurgezelschappen, en dat geldt zeker voor 'Vander Mollenfeeste'. Bij een eerste verkenning kwam ik uitvoeringen tegen van het Tilburgs Vocaal Ensemble (mei 2014 in Tilburg en Den Bosch), de Twente University Singers (december 2015), Het Haarlemse Vrouwenkoor Hoor Haar (november 2012), de Alkmaarse Oratoriumvereniging (oktober 2018), het Zaans Symfonie Orkest (november 1969 en oktober 1972), het Conservatorium Kamerkoor Enschede (2014), waarvan een opname op YouTube te beluisteren is. Het moeten er veel meer zijn.

Vraag

De speurtocht waarvan deze blog verslag doet, leverde me veel meer op dan ik kwijt kan in Duik op, Anthonis, het boek waaraan ik werk. Maar er moeten meer verwijzingen naar dit gedicht zijn in romans en gedichten, en meer bewerkingen of vertalingen dan ik ken. En er moeten ook meer uitvoeringen zijn geweest van Strategiers compositie. Misschien is er op dit moment wel een koor dat het gaat uitvoeren of plannen daarvoor heeft. Wie verwijzingen kent en denkt dat ze voor mij van belang zijn, laat het me weten!

[De voorpagina van Van der Mollenfeeste (een oude ballade van den dood) is afkomstig uit de partituur die is uitgegeven door Donemus]


dinsdag 23 december 2025

Laatste werken

Het boek over Anthonis de Roovere, noem het Duik op, Anthonis, gaat bestaan uit vijftien hoofdstukken die losjes de chronologie volgen, maar vaak een sterk thematisch karakter hebben. Die vijftien hoofdstukken zijn ondergebracht in drie delen. Het eerste volgt de jaren waarin Filips de Goede hertog was (1419-1467), het tweede gaat over de jaren waarin Karel de Stoute hertog van Bourgondië was (1467-1477) en het derde deel volgt de jaren van Maria van Bourgondië (1477-1482), die op 27 maart 1482 overleed, minder dan twee maanden voor de dood van Anthonis.

Opus ultimus

De thema's komen aan bod rond de jaren waarin ze bij uitstek relevant en actueel zijn, en toen ik meer dan twintig jaar geleden een eerste opzet maakte kwam de scholing van iemand als De Roovere in deel 1 terecht, terwijl het laatste hoofdstuk als titel 'Dans van de mol' kreeg, naar het gedicht Van der Mollenfeeste (waarover ik, maar dit terzijde, een artikel schreef dat recent verscheen, en waarover ik een van de komende dagen nog kort zal schrijven). Maar een laatste hoofdstuk over de dood vond ik, toen ik de afgelopen weken nadacht over de opzet van dat derde deel, toch wat al te obligaat. En misschien was het ook niet zo'n aantrekkelijk slot, bedacht ik. Maar wat dan wel? Het zou kunnen gaan over de laatste teksten die hij schreef, en een paar daarvan zijn verrassend genoeg goed te dateren. Zo schreef hij een nieuwjaarsgedicht voor 1480 waarin hij stadsbestuurders prijst die in de jaren daarvoor daadkrachtig de infrastructuur hadden aangepakt en de financiën op orde hadden gebracht. En kort na de dood van De Roovere verscheen er bij de drukker Gerard Leeu in Antwerpen een omvangrijke reeks gedichten waarin de heilsgeschiedenis in kort bestek aan bod komt: de schepping, het leven van Jezus en tot slot de 'vier uitersten': dood, het laatste oordeel, de hel en het eeuwig leven. De gedichten zijn alle voorzien van houtsneden en ze waren bedoeld om ter overdenking aan de wand op te hangen. Deze bijzondere uitgave heb ik eens als 'opus ultimus', het laatste werk, aangeduid. En dat bracht me op de gedachte in het laatste hoofdstuk het laatste werk van de schrijver centraal te stellen. Onder dat laatste werk zijn wat teksten die heel nauw samenhangen met de diepe crisis waarin Brugge verzeild raakt in 1481-1482.

Dood van een geliefde prinses

Na de dood van Karel de Stoute valt Frankrijk Vlaanderen binnen, gaat het slecht met de economie, en ontstaat er onrust over hoe de negentienjarige Maria van Bourgondië haar vader moet opvolgen. In een goed uitgekiend propaganda-offensief wordt Maria gepresenteerd als een onschuldige maagd die met geweld belaagd wordt door degene die haar negentien jaar eerder ten doop hield (de Franse koning Lodewijk XI) en een gedichtje van De Roovere speelt daarbij een rol. Het wordt rondgestuurd, ook naar de troepen te velde, als oproep voor hulp en steun aan soldaten in de frontlinie. 'Aenweese' staat er 'een maecht die dus vercracht es Van hem die mi ten vonten hief. [Geef steun aan een maagd die verkracht is door hij die mij boven de doopvont hield.'

Sterfbed van Maria van Bourgondië, omringd door familie en getrouwen. Houtsnede,  Excellente kroniek van Vlaenderen, Vorsterman, Antwerpen, 1531. Coll. Nijmegen UB.

Al snel is duidelijk dat Maria gaat trouwen met Maximiliaan, zoon van de Duitse keizer Frederik III. Maximiliaan maakt niet lang daarna indruk door een overwinning op de Fransen in de slag bij Guinegate (ook bekend als slag bij Blangijs). Toch is er onvrede over het optreden van Maximiliaan en de economie blijft onder druk staan. De jonge Maria wordt in die jaren als steun van het volk en het leger naar voren geschoven en als een soort stedenmaagd geprofileerd. Anthonis de Roovere levert daarvoor niet alleen dat gedichtje, hij schrijft er over  in de Excellente kroniek van Vlaanderen. Over de tragische laatste dagen van Maria vertelt de Excellente kroniek een aangrijpend verhaal. Ze raakt zwaar gewond tijdens de jacht waar ze onder haar paard terechtkomt. De laatste dagen wordt ze omringd door haar naasten: echtgenoot, kinderen en ook de Gelderse hertogskinderen Karel en Philippa van Egmond, die na de val van Nijmegen in 1473 naar het Bourgondische hof zijn overgebracht, niet vrij om te gaan waar ze wilden, maar toch als gewaardeerde familieleden. Op 27 maart 1482 overleed Maria.

Het was eens goed, het is nu mis

In het jaar voor de dood van Maria verdubbelde de graanprijs en het vertrouwen in Maximiliaan daalde. De factie van Willem Moreel, waarmee De Roovere nauw verwant was, koos steeds duidelijker partij tegen de hertog die als vreemde werd gezien. Het ging slecht in Brugge, slechter dan sinds de jaren 1430 het geval was geweest. Het leven van Anthonis was begonnen in jaren van crisis (tijdens de Brugse opstand van 1436-1438) gevolgd door decennia van relatieve rust. Maar nu, in de laatste jaren van zijn leven, was er opnieuw neergang, en een gevoel van crisis. In deze jaren schreef hij een kort refrein dat de toestand heel treffend beschrijft. Het begint zo:

Twas eens iaers goet // ten dooch nv niet

Tvolck hadde moet // theeft nv verdriet

Thadde ghelts behoet // nv min dan yet

Wien vruecht aenstoet // sanck doen een liedt

Wie dat nv doet // tvolck hem besiet 

 [Het was vroeger goed, maar nu is alles mis Het volk was opgewekt, en heeft nu verdriet. Het beschikte over geld, en heeft nu minder dan niks. Wie blij was zong toen een lied, maar wie dat nu doet wordt gek aangekeken].

In vier strofen krijgen we een beeld van mistroostigheid en wanhoop. In de laatste strofe richt de dichter zich tot vorst en vorstin, Maximiliaan en Maria: zien jullie wel dat wei vroeger wijn dronk nu alleen schraal bier kan drinken, en dat overal een diepe melancholie heeft toegeslagen?

Over dit gedicht en andere laatste werken gaat het laatste hoofdstuk: over de magistrale heilsgeschiedenis, de aangrijpende kroniek en een gedicht waarin maar weinig is overgebleven van de levenslust en het optimisme dat veel van Anthonis' werk kenmerkt. En dan raakt mijn verhaal aan de woorden van H.H. ter Balkt in zijn Laaglandse hymne 'Anthonis de Roovere': 'Dwalend langs de kramen | bij de muren, jij stadsdichter van Brugge, werd je | glimlach dunner en dunner als het dichtslibbend Zwin.'

[Illustratie: Sterfbed van Maria van Bourgondië, omringd door familie en getrouwen. Houtsnede, Excellente kroniek van Vlaenderen, Vorsterman, Antwerpen, 1531. Coll. Nijmegen UB]

 

 

 

 

zaterdag 6 december 2025

Lastig gedicht, ontroerend mirakel

'Tussen priesters en geleerden', is de (werk)titel van het hoofdstuk waaraan ik de afgelopen week heb gewerkt. In dat hoofdstuk speelt de Lof vanden Heilighen Sacramente een hoofdrol, een gedicht dat Anthonis de Roovere omstreeks 1456 schreef en dat van al zijn gedichten de grootste verspreiding kende. Het is bekend uit zeven middeleeuwse handschriften, waarvan drie nog tijdens De Rooveres leven geschreven zijn. En het is in 1478 gedrukt bij Gheerart Leeu in Gouda. Het is daarmee de eerste gedrukte Nederlandstalige tekst van een toen nog levende auteur. Anthonis was, kortom, de eerste auteur uit de Nederlandse letterkunde die een tekst van zichzelf in druk heeft zien verschijnen. Later verscheen het nog tweemaal in druk.

Lof vanden heilighen Sacramente, gedicht van Anthonis de Roovere, opgehangen in de Sint Salvator te Brugge.

Een geschenk
Ik heb niet alleen aan dat hoofdstuk gewerkt, ik bereidde ook een lezing voor die ik vandaag, 5 december, hield tijdens een mooie en inspirerende conferentie met zo'n 25 collega's. Daar was de casus van het Lofdicht van De Roovere een van de voorbeelden in een betoog over de lange geschiedenis van religieuze gedichten. De Roovere schreef zijn gedicht in het midden van de vijftiende eeuw, en nog aan het begin van de zeventiende eeuw verscheen het in druk.
Voor de filoloog in mij, die houdt van verschillende versies, een complexe tekstoverlevering, een reeks van bewerkingen en van passages die volop vragen oproepen, is dit gedicht een geschenk. Maar wie zijn lezers mee wil nemen, weet dat te veel uitweidingen over varianten, bewerkingstechnieken, tekstoverlevering en emendaties het recept zijn om die lezers van je te vervreemden. Dat roept dus de vraag op hoe ik over dit lofdicht van De Roovere ga schrijven. Bij geen van de hoofdstukken in het boek waaraan ik werk, is de spanning zo groot tussen wat ik twintig jaar geleden had willen schrijven, toen ik me voornam een primair wetenschappelijke studie te schrijven, en het boek waaraan ik nu werk, waar ik een publiek voor ogen heb dat veel breder is. Naast vakgenoten heb ik ook geïnteresseerde niet-specialisten voor ogen (en wel in de eerste plaats mijn vader, die vorige week nog vroeg wanneer hij een hoofdstuk zou kunnen lezen).

Lastig en complex
Het lofdicht op het Heilig Sacrament is de grootste berg in het oeuvre van De Roovere. Het werpt meer problemen op dan de veel langere Excellente kroniek van Vlaanderen of het enige bewaarde lange toneelstuk Quicunque vult salvus esse, waarin een jood, een moslim en een christen in discussie gaan over de vraag hoe iemand die gelovig is, moet leven. De christen komt er nogal bekaaid af. Maar de Lof vanden heiligen Sacramente is veel lastiger om te bespreken. En dat komt door de inhoud, theologisch complex en voor een belangrijk deel gebaseerd op een werk van de mysticus Jan van Ruusbroec, en ook door de grote overlevering. Wie alle finesses van dit gedicht wil behandelen heeft meer dan één hoofdstuk nodig, en die ruimte heb ik niet. Of in elk geval, die sta ik mezelf niet toe. Alle details beschrijven zou veel, en misschien wel te veel vergen van het publiek. Ik moet dus op een andere manier omgaan met deze berg in het oeuvre. 
Uiteindelijk moet ik deze berg beschrijven alsof het een mooie en begaanbare heuvel is, niet omdat ik het probleem als een olifant in de kamer wil negeren, maar omdat ik de lezers die ik nu voor ogen heb niet wil opzadelen met alle details die filologen zouden willen weten, want ze zijn niet voor elke lezer even relevant. Daarmee maak ik het mezelf niet per se makkelijk. Het is van belang om de betekenis van al die versies, varianten en bewerkingsstrategieën duidelijk te maken zonder me te verliezen in details.

De berg begaanbaar maken
De lezing die ik vandaag gaf was een mooie vingeroefening. Ik begon mijn verhaal met de gebeurtenis die vermoedelijk de aanleiding vormde tot het schrijven van het lofdicht: de miraculeuze genezing van een Brugse kleuter en zijn moeder. Lastige kwesties hebben immers vaak een aanleiding in alledaagse problemen. Het antwoord op de wonderbaarlijke genezing van zoon en moeder, vergde in de ogen van Anthonis de Roovere een gedegen theologisch antwoord (dat vervolgens in goede aarde viel bij Brugse geestelijken). Nu laat ik dat complexe antwoord even voor wat het is, en eindig ik met het verhaal van het wonderbaarlijke mirakel dat in Breda plaatsvond in 1456: Jan Dirks zoon en Paulina zijn vrouw hadden een zoontje van vier, Cornelis, dat ernstige spastische aanvallen had. Na negen maanden gingen ze ten einde raad naar Breda naar het heiligdom van het heilig Sacrament van Niervaart. Het kind genas, en kort daarna, na terugkeer in Brugge, beviel zijn moeder van een tweede kind. Dat kind maakte het goed, maar Paulina werd ernstig ziek en ze besloot voor een tweede keer naar Breda te trekken, waar ook zij genas.
Door het verhaal te vertellen over een mirakel en het theologische antwoord daarop, maak ik de berg begaanbaar. En zo weet ik nu hoe ik de Lof vanden heiligen Sacramente moet aanpakken, dat meest verspreide, in zijn eigen tijd meest beroemde en ondertussen knap ingewikkelde gedicht. Vanmiddag, tijdens mijn lezing in Huize Heyendael, lukte dat in elk geval.

maandag 17 november 2025

Sotte amoureusheit

Het is het bijzonderste stel in het werk van Anthonis de Roovere: Pantken en Pampoeseken, de twee geliefden die centraal staan in de Sotte amoureusheit, een gedicht waarin de zotheid en de liefde samengaan. Die 'genre-aanduiding' kende De Roovere vermoedelijk uit Franse voorbeelden. Zo is er een 'sotte amoureuse' uit Amiens, te vinden in een Art de rhetorique, een tekst over de kunst van het dichten, voorzien van talrijke voorbeelden.

Boerenpaar. Meester van het Amsterdamse Kabinet, 1470-1475. Collectie Rijkmuseum Amsterdam.


In De Rooveres gedicht is Pantken, de man, aan het woord: 'Ick heete Pantken, mijn lief Pampoeseken'. De namen moeten in de vijftiende eeuw, net als nu, meteen de suggestie hebben gewekt dat het hier niet om een doorsnee liefdespaar gaat. Willem Wilmink, die het bespreekt in Mijn Middeleeuwen uit 1998, vertaalt dat eerste vers met 'Mijn naam is Pandje, mijn lief heet Poezenwind', twee grappige namen, terwijl J.J. Mak in zijn uitgave van de gedichten de namen van een korte toelichting voorziet waaruit blijkt dat hij zich er niet goed raad mee weet: 'zelfbedachte namen?'. Naast het schrijven aan de hoofdstukken van een boek, lees ik deze weken alle gedichten van De Roovere nog eens aandachtig door, en ik bleef meteen haken aan dat eerste vers. Zijn het echt zomaar grappige namen? Waarom koos Anthonis juist deze woorden?

Pantken is het verkleinwoord van 'pant', een woord dat heel wat betekenissen heeft. We kennen het als naam voor een gebouw, als deel van de woorden onderpand en verpanding, waar het slaat op bezit dat je aan een ander beschikbaar stelt in ruil voor een (vaak financiële) tegenprestatie. En in het Middelnederlands Woordenboek (MNW) heeft het ook de daarvan afgeleide betekenis 'schat', gebruikt voor een beminde. Zou dat hier niet meeklinken? En wekt het dan niet meteen een milde glimlach als de verteller van dit gedicht zich voorstelt als 'Ik heet Schatje'? En zijn geliefde dan? Is Pampoeseken zomaar een naam, waarin het woord 'poes' doorklinkt, zoals Wilmink suggereert? Ook hier biedt het woordenboek een reikende hand, maar in dit geval het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Daar staat bij het lemma 'Papoesje' het volgende: PAMPOESJE —, znw. vr., mv. -s. Uit perzisch papoesj. Het gaat hier om een pantoffel met oosterse herkomst. Het roept meteen de internationale markt van Brugge op, waar goederen uit alle windstreken te koop waren. En die pampoesjes waren misschien net iets te sjiek voor het stel dat De Roovere in dit gedicht neerzet, maar ze dragen wel bij aan het ontregelende en daarmee komische karakter van dit gedicht. En nu ben ik pas in vers 1.

De Sotte amoureusheit is tegenwoordig een heel geliefd gedicht dat in geen bloemlezing ontbreekt. Gerrit Kalff dacht er anders over en spreekt in Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde in de 16de eeuw (1889) over 'de schildering van een paar walgelijke gelieven', waaraan hij toevoegt: 'Kieschen smaek kan men trouwens niet verwachten' bij deze schrijver. G.C. van 't Hoog reageert daarop: 'Ik kan niet anders dan Kalff verbaasd aanzien' en hij maakt treffend duidelijk hoe scherp en grappig het gedicht is, en dat het heel verwant is met vergelijkbare voorstellingen, zowel in de literatuur als in de beeldende kunst. Mij deed het meteen denken aan de boerenparen van de Meester van het Amsterdamse Kabinet rond 1470, precies in de jaren waarin Anthonis zijn gedicht schreef dat begint met de woorden 'Ik heet Schatje, mijn lief Pantoffeltje'.

Morgen schrijf ik verder, en ga ik opnieuw een gedicht te lijf. En ook dan is het weer de vraag of ik verder kom dan het eerste vers.

vrijdag 7 november 2025

Tussen Leek en Brugge

Weinig geschreven deze week. Een andere week dan de voorgaande, vooral omdat ik woensdagavond een lezing gaf in Leek, het dorp waar ik van mijn 9e tot mijn 18e woonde. Het is het dorp van lagere school en middelbare school. En de plaats waar in 1425 het slot Nienoord gesticht werd door Wigbold van Ewsum en Beetke van Rasquert, twee van de invloedrijkste edellieden die Groningen heeft voortgebracht. Die stichting viel middenin de jaren waarin de Gelderse hertog Karel van Egmond landsheer was van de stad Groningen en de ommelanden. Over die jaren vertelde ik in mijn lezing voor de Historische Kring Leek. Het was een mooie avond, en het was fijn dat mijn ouders er waren, dat ik bij hen logeerde en de volgende ochtend om zeven uur aan het ontbijt zat omdat ik om elf uur weer in Nijmegen moest zijn. De lezing, lang gepland voor ik wist dat ik deze maanden aan het schrijven van een boek wilde besteden, hield me van dat schrijven af. En toch is het geen verloren week.


Feest in Brugge

Deze week houd ik me ook bezig met het hoofdstuk waarin de Excellente kroniek van Vlaanderen en het huwelijk van Karel de Stoute en Margareta van York centraal staan. 'The marriage of the century' noemde Christine Weightman de bruiloft die in juli 1468 plaatsvond in Brugge. Het was een van de meest imposante Bourgondische feesten en er werd door heel Europa met aandacht naar gekeken. De gasten kamen uit de hele toen bekende wereld, er waren dagenlang intochten, banketten, een spectaculair riddertoernooi. Brugge was in die julidagen het centrum van de bourgondische 'theaterstaat', waarin de vorst zijn positie benadrukte met pracht en praal en via die publieke vertoningen voelbaar maakte wat macht was.

Steekspel van de Gouden Boom in Brugge, juli 1468. Tekening in Douai Bibliothèque Municipal, Hs. 1110

Die 'marriage of the century' is door talrijke auteurs beschreven. Ik hield in mei 2009 een lezing over al die verschillende perspectieven op dezelfde gebeurtenissen (gepubliceerd in 2013 als 'Scattered voices. Anthonis de Roovere and other reporters of the wedding of Charles the Bold and Margaret of York'). De ene auteur had toegang tot de privé-vertrekken van de hertog, een ander was aanwezig bij de voltrekking van het huwelijk in het stadhuis van Damme, de een zag een ridder die een draak versloeg, de ander zag een een beeld van Sint Joris, velen beschreven de pracht en praal van de intocht van vorst en vorstin, en een van hen vermeldde dat het de hele dag regende (een Engelse bezoeker die tot het kamp behoorde dat vijandig stond tegenover Margareta).


Anthonis als kroniekschrijver

Deze gebeurtenissen, die vanuit allerlei perspectieven beschreven zijn, bieden een mooi uitgangspunt om te laten zien hoe Anthonis de Roovere als geschiedschrijver opereerde. Hij was namelijk niet alleen de dichter van heel wat gedichten en teksten voor toneel, maar hij schreef ook aan de Excellente kroniek van Vlaanderen. De Brugse versie is overgeleverd in een gedrukt boek uit 1531 en in tal van handschriften, waarvan de meeste dateren uit de jaren meteen na de dood van De Roovere. De kroniek werd in die jaren ingezet als legitimatie voor de positie van de tegenstanders van Maximiliaan van Oostenrijk, die vanaf 1478 een steeds grotere greep op de bourgondische landen kreeg en in Brugge niet erg geliefd was (hij werd er in 1488 gevangen gezet). De kroniek van De Roovere kreeg na zijn dood een uitgesproken politieke betekenis. Deze week heb ik vooral al die verschillende teksten er weer bij gepakt, en de aantekeningen die ik er jaren geleden over maakte, om grip te krijgen op de teksten waarin de bruiloft van 1468 is beschreven, en op de versies van De Rooveres kroniek en op de bronnen die hij heeft gebruikt.  Het hoofdstuk waaraan ik nu werk gaat over de Bourgondische feestcultuur en over de rol van De Roovere als geschiedschrijver. Zijn positie verschilde van die van de Franstalige hofschrijvers, hij vertelt een ander verhaal. Dat andere verhaal krijgt een belangrijke plaats in Duik op, Anthonis! Het is het verhaal van Brugse ambachtslieden, stedelijke magistraten en van de arme sloebers voor wie het niet alle dagen feest was.


Kort naschrift

Veel Gelre en Groningen deze week, maar toch met een Brugse connectie. Johan van Ewsum, zoon van Beetke en Wigbold, had nauwe relaties met het hof van Karel V en met Johan van Ligne, heer van Arenberg en stadhouder van Groningen en Friesland. In of kort na 1553 stuurde hij een gedicht naar Johan van Ewsum over de genadeloze verwoesting van de Vlaamse stad Terwaan (Therouanne) in de zomer van 1553. Het gedicht was van de hand van Eduard de Dene, die een paar jaar later, in 1562, de Rhetoricale Wercken van Anthonis de Roovere uitgaf.