dinsdag 23 december 2025

Laatste werken

Het boek over Anthonis de Roovere, noem het Duik op, Anthonis, gaat bestaan uit vijftien hoofdstukken die losjes de chronologie volgen, maar vaak een sterk thematisch karakter hebben. Die vijftien hoofdstukken zijn ondergebracht in drie delen. Het eerste volgt de jaren waarin Filips de Goede hertog was (1419-1467), het tweede gaat over de jaren waarin Karel de Stoute hertog van Bourgondië was (1467-1477) en het derde deel volgt de jaren van Maria van Bourgondië (1477-1482), die op 27 maart 1482 overleed, minder dan twee maanden voor de dood van Anthonis.

Opus ultimus

De thema's komen aan bod rond de jaren waarin ze bij uitstek relevant en actueel zijn, en toen ik meer dan twintig jaar geleden een eerste opzet maakte kwam de scholing van iemand als De Roovere in deel 1 terecht, terwijl het laatste hoofdstuk als titel 'Dans van de mol' kreeg, naar het gedicht Van der Mollenfeeste (waarover ik, maar dit terzijde, een artikel schreef dat recent verscheen, en waarover ik een van de komende dagen nog kort zal schrijven). Maar een laatste hoofdstuk over de dood vond ik, toen ik de afgelopen weken nadacht over de opzet van dat derde deel, toch wat al te obligaat. En misschien was het ook niet zo'n aantrekkelijk slot, bedacht ik. Maar wat dan wel? Het zou kunnen gaan over de laatste teksten die hij schreef, en een paar daarvan zijn verrassend genoeg goed te dateren. Zo schreef hij een nieuwjaarsgedicht voor 1480 waarin hij stadsbestuurders prijst die in de jaren daarvoor daadkrachtig de infrastructuur hadden aangepakt en de financiën op orde hadden gebracht. En kort na de dood van De Roovere verscheen er bij de drukker Gerard Leeu in Antwerpen een omvangrijke reeks gedichten waarin de heilsgeschiedenis in kort bestek aan bod komt: de schepping, het leven van Jezus en tot slot de 'vier uitersten': dood, het laatste oordeel, de hel en het eeuwig leven. De gedichten zijn alle voorzien van houtsneden en ze waren bedoeld om ter overdenking aan de wand op te hangen. Deze bijzondere uitgave heb ik eens als 'opus ultimus', het laatste werk, aangeduid. En dat bracht me op de gedachte in het laatste hoofdstuk het laatste werk van de schrijver centraal te stellen. Onder dat laatste werk zijn wat teksten die heel nauw samenhangen met de diepe crisis waarin Brugge verzeild raakt in 1481-1482.

Dood van een geliefde prinses

Na de dood van Karel de Stoute valt Frankrijk Vlaanderen binnen, gaat het slecht met de economie, en ontstaat er onrust over hoe de negentienjarige Maria van Bourgondië haar vader moet opvolgen. In een goed uitgekiend propaganda-offensief wordt Maria gepresenteerd als een onschuldige maagd die met geweld belaagd wordt door degene die haar negentien jaar eerder ten doop hield (de Franse koning Lodewijk XI) en een gedichtje van De Roovere speelt daarbij een rol. Het wordt rondgestuurd, ook naar de troepen te velde, als oproep voor hulp en steun aan soldaten in de frontlinie. 'Aenweese' staat er 'een maecht die dus vercracht es Van hem die mi ten vonten hief. [Geef steun aan een maagd die verkracht is door hij die mij boven de doopvont hield.'

Sterfbed van Maria van Bourgondië, omringd door familie en getrouwen. Houtsnede,  Excellente kroniek van Vlaenderen, Vorsterman, Antwerpen, 1531. Coll. Nijmegen UB.

Al snel is duidelijk dat Maria gaat trouwen met Maximiliaan, zoon van de Duitse keizer Frederik III. Maximiliaan maakt niet lang daarna indruk door een overwinning op de Fransen in de slag bij Guinegate (ook bekend als slag bij Blangijs). Toch is er onvrede over het optreden van Maximiliaan en de economie blijft onder druk staan. De jonge Maria wordt in die jaren als steun van het volk en het leger naar voren geschoven en als een soort stedenmaagd geprofileerd. Anthonis de Roovere levert daarvoor niet alleen dat gedichtje, hij schrijft er over  in de Excellente kroniek van Vlaanderen. Over de tragische laatste dagen van Maria vertelt de Excellente kroniek een aangrijpend verhaal. Ze raakt zwaar gewond tijdens de jacht waar ze onder haar paard terechtkomt. De laatste dagen wordt ze omringd door haar naasten: echtgenoot, kinderen en ook de Gelderse hertogskinderen Karel en Philippa van Egmond, die na de val van Nijmegen in 1473 naar het Bourgondische hof zijn overgebracht, niet vrij om te gaan waar ze wilden, maar toch als gewaardeerde familieleden. Op 27 maart 1482 overleed Maria.

Het was eens goed, het is nu mis

In het jaar voor de dood van Maria verdubbelde de graanprijs en het vertrouwen in Maximiliaan daalde. De factie van Willem Moreel, waarmee De Roovere nauw verwant was, koos steeds duidelijker partij tegen de hertog die als vreemde werd gezien. Het ging slecht in Brugge, slechter dan sinds de jaren 1430 het geval was geweest. Het leven van Anthonis was begonnen in jaren van crisis (tijdens de Brugse opstand van 1436-1438) gevolgd door decennia van relatieve rust. Maar nu, in de laatste jaren van zijn leven, was er opnieuw neergang, en een gevoel van crisis. In deze jaren schreef hij een kort refrein dat de toestand heel treffend beschrijft. Het begint zo:

Twas eens iaers goet // ten dooch nv niet

Tvolck hadde moet // theeft nv verdriet

Thadde ghelts behoet // nv min dan yet

Wien vruecht aenstoet // sanck doen een liedt

Wie dat nv doet // tvolck hem besiet 

 [Het was vroeger goed, maar nu is alles mis Het volk was opgewekt, en heeft nu verdriet. Het beschikte over geld, en heeft nu minder dan niks. Wie blij was zong toen een lied, maar wie dat nu doet wordt gek aangekeken].

In vier strofen krijgen we een beeld van mistroostigheid en wanhoop. In de laatste strofe richt de dichter zich tot vorst en vorstin, Maximiliaan en Maria: zien jullie wel dat wei vroeger wijn dronk nu alleen schraal bier kan drinken, en dat overal een diepe melancholie heeft toegeslagen?

Over dit gedicht en andere laatste werken gaat het laatste hoofdstuk: over de magistrale heilsgeschiedenis, de aangrijpende kroniek en een gedicht waarin maar weinig is overgebleven van de levenslust en het optimisme dat veel van Anthonis' werk kenmerkt. En dan raakt mijn verhaal aan de woorden van H.H. ter Balkt in zijn Laaglandse hymne 'Anthonis de Roovere': 'Dwalend langs de kramen | bij de muren, jij stadsdichter van Brugge, werd je | glimlach dunner en dunner als het dichtslibbend Zwin.'

[Illustratie: Sterfbed van Maria van Bourgondië, omringd door familie en getrouwen. Houtsnede, Excellente kroniek van Vlaenderen, Vorsterman, Antwerpen, 1531. Coll. Nijmegen UB]

 

 

 

 

zaterdag 6 december 2025

Lastig gedicht, ontroerend mirakel

'Tussen priesters en geleerden', is de (werk)titel van het hoofdstuk waaraan ik de afgelopen week heb gewerkt. In dat hoofdstuk speelt de Lof vanden Heilighen Sacramente een hoofdrol, een gedicht dat Anthonis de Roovere omstreeks 1456 schreef en dat van al zijn gedichten de grootste verspreiding kende. Het is bekend uit zeven middeleeuwse handschriften, waarvan drie nog tijdens De Rooveres leven geschreven zijn. En het is in 1478 gedrukt bij Gheerart Leeu in Gouda. Het is daarmee de eerste gedrukte Nederlandstalige tekst van een toen nog levende auteur. Anthonis was, kortom, de eerste auteur uit de Nederlandse letterkunde die een tekst van zichzelf in druk heeft zien verschijnen. Later verscheen het nog tweemaal in druk.

Lof vanden heilighen Sacramente, gedicht van Anthonis de Roovere, opgehangen in de Sint Salvator te Brugge.

Een geschenk
Ik heb niet alleen aan dat hoofdstuk gewerkt, ik bereidde ook een lezing voor die ik vandaag, 5 december, hield tijdens een mooie en inspirerende conferentie met zo'n 25 collega's. Daar was de casus van het Lofdicht van De Roovere een van de voorbeelden in een betoog over de lange geschiedenis van religieuze gedichten. De Roovere schreef zijn gedicht in het midden van de vijftiende eeuw, en nog aan het begin van de zeventiende eeuw verscheen het in druk.
Voor de filoloog in mij, die houdt van verschillende versies, een complexe tekstoverlevering, een reeks van bewerkingen en van passages die volop vragen oproepen, is dit gedicht een geschenk. Maar wie zijn lezers mee wil nemen, weet dat te veel uitweidingen over varianten, bewerkingstechnieken, tekstoverlevering en emendaties het recept zijn om die lezers van je te vervreemden. Dat roept dus de vraag op hoe ik over dit lofdicht van De Roovere ga schrijven. Bij geen van de hoofdstukken in het boek waaraan ik werk, is de spanning zo groot tussen wat ik twintig jaar geleden had willen schrijven, toen ik me voornam een primair wetenschappelijke studie te schrijven, en het boek waaraan ik nu werk, waar ik een publiek voor ogen heb dat veel breder is. Naast vakgenoten heb ik ook geïnteresseerde niet-specialisten voor ogen (en wel in de eerste plaats mijn vader, die vorige week nog vroeg wanneer hij een hoofdstuk zou kunnen lezen).

Lastig en complex
Het lofdicht op het Heilig Sacrament is de grootste berg in het oeuvre van De Roovere. Het werpt meer problemen op dan de veel langere Excellente kroniek van Vlaanderen of het enige bewaarde lange toneelstuk Quicunque vult salvus esse, waarin een jood, een moslim en een christen in discussie gaan over de vraag hoe iemand die gelovig is, moet leven. De christen komt er nogal bekaaid af. Maar de Lof vanden heiligen Sacramente is veel lastiger om te bespreken. En dat komt door de inhoud, theologisch complex en voor een belangrijk deel gebaseerd op een werk van de mysticus Jan van Ruusbroec, en ook door de grote overlevering. Wie alle finesses van dit gedicht wil behandelen heeft meer dan één hoofdstuk nodig, en die ruimte heb ik niet. Of in elk geval, die sta ik mezelf niet toe. Alle details beschrijven zou veel, en misschien wel te veel vergen van het publiek. Ik moet dus op een andere manier omgaan met deze berg in het oeuvre. 
Uiteindelijk moet ik deze berg beschrijven alsof het een mooie en begaanbare heuvel is, niet omdat ik het probleem als een olifant in de kamer wil negeren, maar omdat ik de lezers die ik nu voor ogen heb niet wil opzadelen met alle details die filologen zouden willen weten, want ze zijn niet voor elke lezer even relevant. Daarmee maak ik het mezelf niet per se makkelijk. Het is van belang om de betekenis van al die versies, varianten en bewerkingsstrategieën duidelijk te maken zonder me te verliezen in details.

De berg begaanbaar maken
De lezing die ik vandaag gaf was een mooie vingeroefening. Ik begon mijn verhaal met de gebeurtenis die vermoedelijk de aanleiding vormde tot het schrijven van het lofdicht: de miraculeuze genezing van een Brugse kleuter en zijn moeder. Lastige kwesties hebben immers vaak een aanleiding in alledaagse problemen. Het antwoord op de wonderbaarlijke genezing van zoon en moeder, vergde in de ogen van Anthonis de Roovere een gedegen theologisch antwoord (dat vervolgens in goede aarde viel bij Brugse geestelijken). Nu laat ik dat complexe antwoord even voor wat het is, en eindig ik met het verhaal van het wonderbaarlijke mirakel dat in Breda plaatsvond in 1456: Jan Dirks zoon en Paulina zijn vrouw hadden een zoontje van vier, Cornelis, dat ernstige spastische aanvallen had. Na negen maanden gingen ze ten einde raad naar Breda naar het heiligdom van het heilig Sacrament van Niervaart. Het kind genas, en kort daarna, na terugkeer in Brugge, beviel zijn moeder van een tweede kind. Dat kind maakte het goed, maar Paulina werd ernstig ziek en ze besloot voor een tweede keer naar Breda te trekken, waar ook zij genas.
Door het verhaal te vertellen over een mirakel en het theologische antwoord daarop, maak ik de berg begaanbaar. En zo weet ik nu hoe ik de Lof vanden heiligen Sacramente moet aanpakken, dat meest verspreide, in zijn eigen tijd meest beroemde en ondertussen knap ingewikkelde gedicht. Vanmiddag, tijdens mijn lezing in Huize Heyendael, lukte dat in elk geval.