donderdag 28 mei 2026

Over spullen en mensen. Of: wat voor academische gemeenschap willen we zijn?

Bijna altijd schrijf ik hier over literatuur en geschiedenis. Van oktober 2025 tot februari 2026 ging het over Anthonis de Roovere, en heel binnenkort duikt hij hier weer op. In de tussentijd had ik andere zaken aan mijn hoofd. Maar voor Anthonis weer tevoorschijn komt, plaats ik een stuk dat ik begin oktober 2025 schreef. Het ging niet over literatuur maar over de universiteit: over de heilloze verhuisoperatie in het Erasmusgebouw, over mijn worsteling daarmee, maar vooral ook over de vraag wat voor academische gemeenschap we willen zijn in tijden van bezuinigingen. Ik kwam het weer tegen, en vind het nu actueel genoeg om het hier te plaatsen. Ik schreef het indertijd voor Voxweb, en heb het aangeboden voor publicatie, maar het is toen niet geplaatst. Over waarom dat niet gebeurde, zal ik het maar niet hebben.

                        

Vrouwelijke docent die vrouwen leert lezen. Miniatuur in getijdenboek uit de 15e eeuw. Londen, British Library MS Harley 3828, for. 27v 


Over spullen en mensen. Of: wat voor academische gemeenschap willen we zijn?

We weten hoe het ervoor staat met de universiteiten in Nederland. Er moet flink bezuinigd worden vanwege de forse maatregelen in Den Haag, maar ook door demografische en andere factoren. Berichten over de invulling van de ‘opdracht om te besparen’ dalen al meer dan een jaar op ons neer. De ondersteunende diensten krijgen zware klappen: het gaat hier om de talrijke mensen die een cruciale bijdrage leveren aan een goed werkende organisatie, aan de universiteit als gemeenschap waarin mensen naar elkaar omzien. En al lijkt het erop dat vooralsnog docenten en onderzoekers niet ontslagen worden, ze krijgen ze nog nauwelijks nieuwe jonge collega’s. Bovendien leveren we fors aan werkruimte in. De Faculteit der Letteren vult nu nog tien verdiepingen in het Erasmusgebouw, dat zijn er vanaf januari zeven. We moeten kamers delen. En we moeten ‘ontspullen’. Goed opruimen is een deugd, leren de goeroes van het ontspullen ons, en tot op zekere hoogte is dat zeker waar. Toch is de gedachte dat boeken en aantekeningen digitaal beschikbaar zijn, geen ruimte innemen en dus weg kunnen, pijnlijk en onverantwoord. Het gaat in wat hierna volgt over spullen en mensen, en over de vraag wat een universiteit zou moeten zijn.

 

 

Erfgoed

 

Universiteiten vormen mensen en leiden hen op, verrichten onderzoek en, eigenlijk al zo lang als ze bestaan, verzamelen spullen: boeken, preparaten, planten (gedroogd in herbaria en levend in tuinen), mineralen, geprepareerde dieren, kunst en een ruime verscheidenheid aan andere objecten. Ook de Radboud Universiteit doet dat: handschriften en boeken in de Bijzondere Collecties van de Universiteitsbibliotheek; archieven en objecten van katholiek Nederland in het Katholiek Documentatie Centrum; prenten en foto’s in het Centrum voor Kunsthistorische Documentatie; skeletten, geprepareerde organen en anatomische tekeningen en modellen in het Museum voor Anatomie en Pathologie; Griekse en Romeinse munten in de Letterenfaculteit; opgezette vogels in de Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica; en nog veel meer. Dit alles is primair aangelegd als onderwijscollectie, en vaak nog steeds in gebruik, maar ook als een tastbare getuigenis van de geschiedenis van de wetenschap en de universiteit. Als zodanig vormen ze het erfgoed van de universiteit. Sinds 2020 heeft Radboud Erfgoed de zorg daarvoor gebundeld en de zichtbaarheid ervan vergroot. Daarbij is duidelijk geworden hoeveel er nog niet in kaart is gebracht. En juist die collecties en archieven staan in talrijke gangen en kamers, en in kelders onder het Erasmusgebouw en het Huygensgebouw, kortom: verspreid over de campus. We noemen dit soms ook wel ons ‘zwerfgoed’. Lang niet al dat zwerfgoed heeft erfgoedwaarde en moet bewaard blijven. Bij een recente inventarisatie en waardering van sociaalwetenschappelijke objecten bleek een gedeelte heel waardevol, maar kan er ook met goede redenen ‘gedeselecteerd’ worden, een sjiek woord voor wegdoen. Om dat zorgvuldig te kunnen doen (en dat is van belang, want weg is weg), is er tijd nodig. Eerst moet je weten wat er is, dan wat de achtergrond van die spullen is, om vervolgens te kunnen besluiten wat waardevol is (door het onderzoek dat er mee gedaan is, door de verhalen die ermee verbonden zijn) en bewaard moet blijven.

Door de haast waarmee de huidige verhuizingen plaatsvinden, is er weinig tot geen ruimte voor die zorgvuldigheid. Nog niet zo lang geleden, door de sloop van de gebouwen aan de Thomas van Aquinostraat, is er mede daardoor het nodige misgegaan. Het was een van de argumenten om Radboud Erfgoed in te stellen. In de voorbije jaren is er een erfgoedvisie ontwikkeld waarin vastgesteld wordt dat ‘voor de niet in kaart gebrachte collecties en objecten […] er een reëel gevaar [bestaat] voor verlies’. Daaruit volgt de conclusie dat er behoefte is ‘aan een integrale erfgoedvisie die voorziet in regie en in het beleggen van verantwoordelijkheden op het gebied van de zorg voor het academische erfgoed bij de Radboud Universiteit’. Het college van bestuur heeft deze conclusie op 15 augustus 2023 onderschreven en besloten dat er regie nodig is. Om te voorkomen dat we fouten uit het verleden herhalen, om zorgvuldig te kunnen selecteren, en om niet, zoals nu al gebeurt, overhaast op te ruimen, is er tijd nodig. Meer dan nu is voorzien.

 

 

Een persoonlijk verhaal?

 

Wie mij kent, zal meteen denken: Oosterman heeft zijn eigen kamer vol met boeken en aantekeningen, dus die heeft gewoon geen zin in opruimen. Vijf kasten met vakliteratuur, aantekeningen over middeleeuwse handschriften, archiefonderzoek en veel meer. Mijn pleidooi, zo kun je denken, is mede ingegeven omdat ik mijn eigen spullen wil veiligstellen. Maar ik weet dat ik niet de enige ben. De afgelopen weken sprak ik tientallen collega’s in het Erasmusgebouw, en diverse beheerders van collecties en archieven op de campus, die zich in meer of mindere mate zorgen maken over de huidige gang van zaken. Dat ik veel (maar zeker niet alle) boeken en aantekeningen wil veiligstellen, is omdat ik ze in mijn onderzoek regelmatig nodig heb. Ze vormen voor de geesteswetenschapper het onmisbare instrumentarium om te kunnen werken. Ik heb geen kamer vol boeken en archiefmappen als decoratie, maar omdat ik mijn werk daarzonder niet kan doen. Dat ik nu, net als talrijke collega’s, in een paar maanden mijn kamer moet ontruimen en op een nieuwe plek nog hooguit een of twee kasten krijg, leidt onontkoombaar tot verlies van onderzoeksgegevens. Neem je spullen dan mee naar huis, hoorde ik al in de wandelgangen. Maar ik heb die ruimte thuis niet. Bovendien horen ze op de plaats waar ik werk, waar ik onderzoek doe, op de campus. Het voelt alsof je aan een bioloog zou vragen over drie maanden de proeftuinen om te spitten (die ruimte kan immers ook voor nieuwe studentenhuisvesting gebruikt worden), en om thuis in de achtertuin ruimte vrij te maken voor experimenten.

 

 

Wat voor gemeenschap willen we zijn?

 

Een universiteit is meer dan een leerfabriek, meer dan een organisatie die er goed in slaagt om externe onderzoeksmiddelen binnen te halen. Het is een waardengemeenschap die studenten wil vormen, kritische stemmen durft toe te laten, durft te aanvaarden dat niet alles lukt, en onder ogen ziet dat niet het geven van antwoorden maar het stellen van vragen centraal moet staan. Ze vormt een academische gemeenschap van studenten, docenten en onderzoekers, portiers en schoonmakers, laboranten, conservatoren, beleidsmedewerkers en nog heel veel meer. Zij dragen allemaal bij aan het levende lichaam dat zo’n gemeenschap is.

Ook de omgeving waarin ze werken en elkaar kunnen tegenkomen, draagt daaraan bij, net als de faciliteiten voor onderzoek: leeszalen, laboratoria, practicumruimtes, kassen en tuinen, boeken en aantekeningen. Niet alles kan digitaal, niet alles kan efficiënt tot het uiterste. Als dat beleid wordt gaan mensen meer thuiswerken, zijn er minder gelegenheden voor ontmoetingen tussen staf en studenten buiten de colleges om, en hebben onderzoekers geen plaats meer waar ze zich thuis voelen en goed kunnen werken, iets dat niet alleen geldt voor de geesteswetenschappers. Wie te snel alles overhoophaalt, dreigt de gemeenschap te verstoren.

 

 

Wie zal dat betalen…

 

Dat er bezuinigd moet worden is onvermijdelijk, al zou de stem tegen die onverantwoordelijke sloop wel luider mogen klinken. En misschien mogen we ook, heel voorzichtig, rekening houden met veranderende omstandigheden na 29 oktober [dag van de Tweede Kamerverkiezingen, die toen nog voor de deur stonden]. Afbreken gaat snel, weer opbouwen is vaak nauwelijks mogelijk.

Ondertussen weet ik heel goed dat we niet ontkomen aan bezuinigingen. Ik wil er graag mijn bijdrage aan leveren. Ik zou bereid zijn salaris of onderzoeksbudget in te leveren om te werken in de omstandigheden die ik nodig heb. Laat maar weten wat het mij kost om mijn kamer te behouden, zei ik laatst. Opslagruimte of een kamer huren in de stad is immers ook prijzig, net als de zoektocht naar een groter huis.

Ik zou willen dat we de opgaven waarvoor we staan zien als gezamenlijke opgave, waarbij keuzes gemaakt worden die recht doen aan de verschillende onderzoeks- en werksituaties. Ik zou willen voorkomen dat de bezuinigingen efficiënt verlopen maar een ontredderde academische gemeenschap achterlaten. We moeten ons, zelfs nu alles onder druk staat, de vraag stellen wat voor universiteit we willen zijn. En ook wat we ervoor over hebben om die gewenste gemeenschap te koesteren en te handhaven, om te voorkomen dat de prijs die we betalen, de academische gemeenschap zelf is.

 

7 oktober 2015


Geen opmerkingen: