donderdag 8 maart 2007
Into Francesco
Uiteraard heb ik heel wat Petrarca in de kast en als ik thuis aan zo’n college werk ligt de inhoud van meer dan een boekenplank om me heen op het bureau en op de grond. Maar ik heb natuurlijk niet alles. Bovendien wil je in een college mooie plaatjes gebruiken, wil je soms snel dat immense werk doorzoeken. En dan biedt het web weer uitkomst: mooie sites met een globaal overzicht van leven en werk (vergeet daarbij alle wiki’s niet), een imposante amerikaanse site met afbeeldingen uit tientallen Petrarca-handschiften, en ook het heerlijke boek van Ypes over Petrarca in de Nederlandse literatuur (daar heeft de onnavolgbare dbnl voor gezorgd).
Naast die op bureau en vloer uitgestalde boekenplank - die inmiddels weer keurig terug in het gelid is geplaatst, omdat ik vanavond eens de behoefte had om de chaos om me heen te bedwingen - had ik nog drie of vier extra planken tot mijn beschikking. Eén dag alles uit de kast om me geheel in Petrarca onder te dompelen. Morgen om kwart voor elf college en daarna weer met de dagelijkse dingen aan de slag: drie vergaderingen, het stategisch plan van de universiteit lezen, werken aan de minorgids: Fontana di dolore … per cui tanto si piange et si sospira.
dinsdag 20 februari 2007
Het digitale luilekkerland
Internet is zo’n Luylecker-land, vol oude boeken die zomaar gratis en voor niks op mijn beeldscherm verschijnen. Dat berichtje, dat al weken klaarstaat, heb ik helemaal geskipt. Alleen de titel is overgebleven. Alles wat ik wilde schrijven komt later wel. Eerst maar eens bladeren in die paar mooie boekjes van de Stadbibliotheek in Antwerpen. Later zien we wel verder.
vrijdag 16 februari 2007
Toe-eigening
Ondertussen is het handschrift niet alleen aangeschaft door de Haagse KB - de fysieke toe-eigening - het wordt ook geplaatst binnen een nieuw kader: de geestelijke toe-eigening. Op de website van de bibliotheek wordt het als onbetwistbaar hoogtepunt van de Nederlandse cultuur getypeerd. Je krijgt sterk de indruk dat de schrijver van deze tekst daarbij toch vooral aan het huidige Nederland heeft gedacht. In elk geval wordt nergens de herkomst uit Vlaanderen vermeld. Een ander staaltje van toe-eigening zien we in de woorden van de bibliothecaris, Wim van Drimmelen, die de liederen, volstrekt misplaatst ‘de musical van de middeleeuwen’ noemt. Alsof eenentwingste-eeuwers alleen nog in termen van hedendaagse populaire cultuur benaderd kunnen worden. De Gruuthuse-teksten behoren bij uitstek tot de elite-cultuur en de dichter houden er uitermate exclusieve opvattingen op na. Musical? Kom nou. Of zou de directeur op deze manier het aankoopbedrag bij elkaar gepraat hebben? Een van de fondsen die heeft bijgedragen is de Van den Ende-foundation…
Ann Kelders van de KB te Brussel noemt het onverantwoord om zoveel geld te besteden aan de aanschaf van een middeleeuws handschrift. Misschien heeft ze wel gelijk, vooral omdat het vaak veel moeilijker is om dergelijke middelen bij elkaar te krijgen wanneer het gaat om het onderzoek naar de teksten. Een paar jaar geleden lukte het niet om een half miljoen te verkrijgen voor het werk aan de editie van het handschrift, nu is er klaarblijkelijk een veelvoud beschikbaar voor de aanschaf van het boek. Als cultuurfondsen alleen bereid zijn voor dergelijk spectakelaankopen geld te fourneren is het bedrag inderdaad onverantwoord. Maar als ze ondertussen evenzeer willen bijdragen voor het minder opvallende werk: de studie van teksten, het onderhoud van minder spectaculaire collecties, dan is er wat mij betreft niet zoveel mis met deze uitgave. Want hoe je het ook wendt of keert: geld drukt op de meest herkenbare manier de waarde uit van waar wij ons mee bezighouden. Dat een middeleeuws handschrift zo belangrijk is dat er miljoenen voor betaald worden, brengt mijn vak - de studie van oude teksten - ineens volop in het nieuws. En dat is mooi meegenomen.
woensdag 14 februari 2007
Nieuws! Gruuthuse-handschrift in KB
Vanavond, op het feest van de heilige Valentijn, even voor tienen weet Teletekst te melden dat de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag het Gruuthuse-handschrift heeft aangekocht. Het is veruit het belangrijkste Middelnederlandse handschrift dat nog in privé-bezit was. Alleen al om die reden is de aankoop door de KB in Den Haag groot nieuws. Voor mij geldt dat zeker, want al in de jaren tachtig, toen ik nog in Groningen studeerde, hield ik me bezig met de teksten uit dit handschrift: het Egidiuslied, het Kerelslied, Aloeette voghel clein. Ik vertaalde gedichten uit dit handschrift (in het boekje Is Brugge groot?), maar vooral: het handschrift hielp me aan een onderwerp voor mijn proefschrift. Het bevat berijmde gebeden, een nogal marginaal tekstgenre, en met dergelijke teksten heb ik me jaren beziggehouden. Frits van Oostrom refereert daar treffend aan in Stemmen op schrift wanneer hij schrijft over ‘jonge onderzoekers die de creatiefste jaren van hun leven willen wijden aan een proefschrift over zoiets abstruus als berijmde gebeden in het Middelnederlands’. Het is in die jaren een beetje mijn handschrift geworden en er kan niets over geschreven worden of ik wil het lezen, er kan niets over gezegd worden of ik permitteer me er zeker zoveel van te weten. Ik heb er over geschreven, lezingen gehouden, er lang en vaak in gestudeerd en er met mijn beste collega’s urenlang over gedebatteerd. Het is een monument van de Nederlandse literatuur en zonder meer een prachtverzameling: mooie teksten, fascinerend door alle vragen die ze oproepen, volstrekt uniek door de grote collectie liederen mét muzieknotatie. Het is een handschrift waarover felle discussie zijn gevoerd, dat centraal stond in een van de heftigste controverses die de studie van de Middelnederlandse literatuur heeft gekend en die gevoerd werd naar aanleiding van de uitgave, ruim veertig jaar geleden, door K.H. Heeroma. Van Oostrom schreef er een prachtig artikel over: ‘Heeroma, “Gruuthuse” en de grenzen van het vak.’
Groot nieuws, kortom, dat dit handschrift in de KB van Den Haag terechtkomt, maar meteen ook nogal verbazingwekkend. Het Gruuthuse-handschrift is rond 1400 geschreven in Brugge door schrijvers die tot de opkomende burgerij behoorden. Hun teksten en hun levens laten zien hoe ze zelfverzekerd deelnamen aan het culturele en maatschappelijke leven van de wereldstad die Brugge was, hun teksten verwijzen voortdurend naar Brugse situaties en gebeurtenissen, en ze maken duidelijk hoe de schrijvers een positie innemen ten opzichte van de dominante Franse literatuur. En dit handschrift, dat door de klassieke teksten die het bevat een belangrijke rol heeft gespeeld bij processen van identiteitsvorming, verdwijnt na meer dan zeshonderd jaar definitief uit de omgeving van Brugge. Het is alsof Rembrandts portret van Jan Six, dat sinds de zeventiende eeuw in het huis van een Amsterdamse familie aan de muur hangt, zonder slag of stoot door het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten wordt aangekocht. Nationaal erfgoed van dit kaliber mag het land toch niet uit, zou je denken. Gelukkig blijft het binnen het taalgebied waar het thuishoort. Gelukkig verdwijnt het niet naar een rijke Amerikaanse collectie - wat gezien het musicologische belang van de codex niet denkbeeldig zou zijn. Het komt nu echt beschikbaar voor onderzoekers, en juist in Den Haag wordt er door Herman Brinkman en Ike de Loos aan het Huygens Instituut gewerkt aan een nieuwe uitgave van de teksten. Zo beschouwd is Den Haag de best denkbare laatste rustplaats voor het handschrift.
Binnenkort is het digitaal voor iedereen te bekijken. Misschien zal dat tegenvallen. Erg spectaculair is het handschrift namelijk niet: geen plaatjes, geen rijke versiering, zelfs het schrift is hier en daar nogal slordig. En op de eerste bladzijden zijn volop verbeteringen aangebracht. Maar wie goed kijkt en leest kan veel ontdekken. En ziet een handschrift dat waarschijnlijk bedoeld was voor de directe kring rond de dichters. Misschien hebben een of meer van die dichters hier en daar hun sporen in het boek nagelaten. Er staan kleine markeringen in, er zijn hier en daar teksten toegevoegd, er zijn, als gezegd, verbeteringen aangebracht. Waarschijnlijk zijn er maar weinig bronnen uit onze middeleeuwse literatuur die ons zo dicht bij de dichters zelf brengen. Jan van Hulst en Jan Moritoen, van wie er teksten in dit handschrift staan, kunnen het boek zelf in handen hebben gehad. We zien in dit boek precies was zij gezien kunnen hebben. Ik realiseerde me dat sterk toen ik meer dan tien jaar geleden in Koolkerke, vlak bij Brugge, de codex in handen had. Ernest van Caloen, de stokoude baron wiens bezit het toen nog was, keek toe hoe ik me over het boek boog en viel toen in slaap. Twee uur lang heb ik ongestoord en in de grootst denkbare concentratie gelezen, precies zoals de personages doen in het mooie Eerste gedicht uit dit handschrift. Dichterbij de middeleeuwen heb ik me nooit gevoeld.
vrijdag 6 oktober 2006
Beatrijs denkt niet
woensdag 6 september 2006
Lekker lezen
Cijfers zijn gewillig en uit zo’n onderzoek onder 483 jongeren zijn vele conclusies te trekken. In elk geval ook dat er reden tot optimisme is voor wie lezen belangrijk vinden en van mening zijn dat lezen de verbeelding prikkelt, het denken stimuleert en simpelweg een aangenaam tijdverdrijf is. Ik hoor tot die laatste groep en als ik naar een paar van de staatjes en tabellen kijk in het rapport, kom ik aardige dingen tegen. Jongeren lezen het liefst over avontuur (52%) en liefde (47%), maar ook geschiedenis (24%) doet het goed. Ik denk dan meteen aan middeleeuwse ridderromans. Ferguut en Karel en Elegast zouden het goed moeten doen. Niet in hun Middelnederlandse gedaante natuurlijk, maar in een goede vertaling of bewerking.
Andere cijfers. Wie maakt je enthousiast om te lezen, was een van de vragen. In de eerste plaats vrienden en vriendinnen (37%). Natuurlijk is de invloed van de peer-group groot. En ook ouders (27%) dragen bij. Maar meteen na deze groepen, die tot de meest directe kring van jongeren behoren, komen docenten (24%), die meer invloed blijken te hebben dan bekende schrijvers, bibliothecarissen of zomaar andere jongeren. Wie het lezen wil stimuleren hoeft geen campagnes op te zetten, geen schrijvers op tournee te sturen, maar moet docenten gewoon wat meer ruimte geven om leuke boeken in de klas te behandelen. Meer literatuur op school, en jongeren gaan meer lezen. Opvallend genoeg zijn ze ook helemaal niet zo negatief over de boekenlijst. Vooral de jongeren die hoe dan ook niet lezen zijn er negatief over, maar 3 op de 10 jongeren zeggen dat ze lezen leuker zijn gaan vinden door de boekenlijst.
Rapporten bevatten aanbevelingen. Hier is de belangrijkste dat stimulering van het lezen via leeftijdsgenoten moet plaatsvinden. Maar ja, die moeten dan wel eerst enthousiast worden. Subsidie naar jongeren om hun vrienden te bewerken? Ouders betalen om een lofzang van het lezen aan te heffen? Wie weet. Maar maak in elk geval ook op de scholen meer ruimte voor lezen. Zorg dat er boeken zijn, laat docenten erover vertellen, eis niet dat alle taalonderwijs praktijkgericht is. Een goede brief schrijven is belangrijk. Maar gevoel voor de kracht van taal ontstaat op een andere manier. Door lezen van mooie boeken. En misschien leer je juist daardoor hoe taal werkt. Hoe je een goede brief schrijft.