Vorige week woensdag, terwijl de Vlaamse dichter Paul Bogaert zijn Defence of poetry juist besloot, las een Vlaamse collega zijn sms'jes en zei geschokt: Claus is dood. De blik op zijn gezicht kwam telkens weer in mijn herinnering, de afgelopen week, bij het lezen van die vele artikelen en het bekijken van al die televisieprogramma's. Het verschil tussen Nederland en Vlaanderen was daarbij opvallend. In de Nederlandse media was het een belangrijke gebeurtenis waarover op een uitgebreide en waardige manier werd bericht. Maar in Vlaanderen ging het over iets anders: ging het over het verlies van een schrijver die ten diepste de identiteit van velen had bepaald. In al zijn grilligheid, in al zijn grootsheid, in die combinatie van gulheid en inzichzelfgekeerdheid, in die worsteling met de eigen taal, de eigen geschiedenis die bij Claus van worsteling tot subliem spel is getransformeerd. En telkens als het daarover ging moest ik weer denken aan die geschokte blik.
Nog dezelfde dag heb ik wat lacunes in mijn boekenkast aangevuld. Een daarvan lijkt misschien vreemd: het toneelstuk De legende en de heldhaftige, vrolijke en roemrijke avonturen van Uilenspiegel en van Lamme Goedzak in Vlaanderen en elders. Claus schreef het in 1965 ter gelegenheid van het 78e lustrum van de Leidse universiteit. Het stuk is niet vaak herdrukt en kreeg weinig aandacht. Dat ik het meteen aanschafte komt omdat ik me voorbereid op twee colleges over Tijl Uilenspiegel en de vele bewerkingen daarvan. Claus' bewerking ontbrak nog, maar inmiddels ligt ze voor me. Ik ben beginnen te lezen, maar kon het niet laten alvast de laatste bladzijde op te slaan. 'Wij slapen, maar sterven doen wij niet! Kom, Nele, kom' zijn Uilenspiegels laatste woorden terwijl de verteller hem nakijkt en samen met zijn lief ziet verdwijnen. En de verteller besluit: 'Hij ging met haar heen en zong zijn zesde lied! Maar niemand weet waar hij zijn laatste zingen zal.'
Zo verdween ook Claus, nog niet begonnen aan zijn laatste lied.
donderdag 27 maart 2008
maandag 22 oktober 2007
Droefenis - Melencolia I
Vrijdag overleed Wolkers: breekbaar, op, bijna doorzichtig. De prachtige foto van de oude kunstenaar, een paar weken geleden in M, bijlage van NRC Handelsblad, liet het heel mooi zien. En vanavond, na een schitterende herfstmiddag wandelen in de heuvels, zie ik het journaal: brand in Amersfoort, het Armandomuseum is verwoest inclusief alle kunst die er te zien was. Grote doeken van Armando, sculptuur, en werk van anderen, uitgeleend aan het museum voor een tentoonstelling. Nieuws en Een Vandaag berichtten tenenkrommend over de rampspoed: wat kost dit nu? waren er geen voorzieningen om deze brand te voorkomen? wilde de kunstenaar nog gaan kijken op de plek des onheils? Het leken vragen van journalisten die kennelijk geen benul van kunst hebben en het verlies ervan alleen in financiële termen kunnen uitdrukken. Die hun vak lijken op te vatten als betaald ramptoerisme en zich er geen voorstelling van kunnen maken dat wie echt om de kunst geeft geen smeulende resten hoeft te zien. We zagen daardoor een uitslaande brand, rennende reporters maar geen beeld van de verloren werken. Alleen in een kort item in Een Vandaag, waar Armando zich de meest stompzinnige vragen moest laten welgevallen, zagen we iets van wat verloren is omdat de meester zelf bladerde in de catalogus van de wreed afgebroken tentoonstelling.
En daar zag ik de nu verbrande prenten van Dürer - waarvan eeuwen terug diverse exemplaren zijn afgedrukt zodat er ook nu nog wel een paar over zijn, al is het verlies van iedere vijfhonderd jaar oude prent een kleine ramp. Rechts op een pagina: Melencolia I, een van Dürers beroemdste prenten en voor mij een oude bekende. De verbeelding van het temperament waarmee ik me sinds lange jaren af en toe bezighoud. Een oude bekende, maar wel in een heel navrant kader. Kwetsbaar - 'Ach wie flüchtig, ach wie nichtig' zong de grote Bach - en vervlogen.
zondag 30 september 2007
www.mmdc.nl (alle middeleeuwse handschriften in Nederland)
Sinds ruim een week is de website www.mmdc.nl online. Mooi nieuws voor iedereen die geïnteresseerd is in de middeleeuwen en in middeleeuwse handschriften in het bijzonder. Een paar grote bibliotheken, waaronder de Koninklijke Bibliotheek en belangrijke universiteitsbibliotheken zoals die van Leiden, Amsterdam, Groningen en Utrecht hebben samengewerkt in een project (flink gesteund door NWO) om alle middeleeuwse handschriften in (min of meer) openbare collecties in Nederland in kaart te brengen. Zo'n site is als een speelgoedwinkel voor een kind: er is zoveel te zien - niet alleen zijn de handschriftbeschrijvingen voorzien van veel interessante gegevens, bovendien bevatten ze vaak mooie afbeeldingen van de beschreven handschriften. En wat een rijkdom, zowel in bekende collecties als op nauwelijks bekende plaatsen. En als voorbeelden van die laatste categorie: het museum Simon van der Gijn in Dordrecht, het Drents Museum in Assen, de Wilhelmieten in Huijbergen, de R.K. Parochie Onze Lieve Vrouw Tenhemelopneming in Kampen (ja, daar!). De lijst met grote en kleine collecties lijkt uitputtend, en dat is ook wat de toelichting op de website belooft: "This database contains descriptions of all medieval western manuscripts written in Latin script and produced up to c. 1550 now preserved in public and semi-public collections in the Netherlands." Alle middeleeuwse westerse handschriften van voor 1550, staat er. Maar klopt dat wel? Als je, zoals ik, door heel Nederland en daarbuiten gezocht hebt naar handschriften met gebeden, met liederen en van lieverlee naar nog veel meer, wil je natuurlijk eerst eens zien hoe al die boeken die je ooit zelf hebt gezien, zijn beschreven. Maar niet alles bleek te vinden: de boeken uit het klooster van de Norbertijnen in Heeswijk-Dinther ontbreken, een handschriftje uit het Stadsarchief in Purmerend trof ik niet. Misschien zijn de collecties ondertussen opgeheven, denk je dan. Maar ook het Rijksarchief van Maastricht, dat tientallen middeleeuwse handschriften bewaart, bleek te ontbreken. Maar waarom? Staat er misschien ergens een verborgen disclaimer op de site? Niet kunnen vinden! Horen Brabant en Limburg er niet helemaal bij? Lijkt me onwaarschijnlijk. Domweg vergeten? Dat verwacht je toch niet van een dergelijk project. Maar wat dan wel? Misschien is het antwoord te vinden op de site van de universiteitsbibliotheek Leiden. Daar zijn ze, begrijpelijk, apetrots: door dit project blijkt maar al te dudelijk dat Leiden de grootste collectie middeleeuwse handschriften in Nederland heeft: meer dan 1500, dat wil zeggen een kwart van het totale bezit in Nederland. En de Leidse site weet het volgende te melden: "MMDC zal in de komende maanden gekoppeld worden aan Bibliotheca Neerlandica Manuscripta (BNM), het documentatiesysteem voor Middelnederlandse handschriften." En in de BNM blijken die door mij gemiste handschriften wél voor te komen. Zou MMDC simpelweg vergeten zijn te melden dat het bestand nog incompleet is, in afwachting van de koppeling aan de BNM? Ik hoop het maar. En meteen hoop ik, nee, reken ik erop, dat na die koppeling ook de nieuw toegevoegde beschrijvingen even uitvoerig zijn als de al bestaande. Want alles is alles. En wie mij beschrijvingen van alle middeleeuwse handschriften in Nederland belooft, moet zich daar dan ook maar aan houden.
donderdag 20 september 2007
Liedjes van Lauweryn
De leukste projecten ontstaan soms zomaar toevallig. Jaren geleden alweer kwam ik in contact met het Egidius Kwartet. Peter de Groot, altus en artistiek leider, had wat vragen over de Musyckboexkens van Tielman Susato, een Antwerpse drukker die in de zestiende eeuw liederen verzamelde om uit te geven. Daaronder waren boekjes met Nederlandse liederen die door Susato doelbewust werden uitgegeven om het Nederlandse lied te propageren. Peter de Groot kwam bij mij terecht omdat ik het nodige wist over Nederlandse liederen. Hij had evengoed bij iemand anders terecht kunnen komen: er zijn meer specialisten op dit terrein. Maar onze toevallige ontmoeting leidde tot een prettige samenwerking. En zoals het dan gaat: tussen de bedrijven door, tijdens het eten van een broodje of het drinken van een borrel, ontstaan er ideeën die plannen willen worden. Een van die plannen had te maken met de website www.literatuurgeschiedenis.nl waar ik in die tijd aan werkte. We wilden graag dat het Lied van Heer Halewijn te beluisteren zou zijn, maar vonden geen bruikbare opname. Het Egidius Kwartet wilde wel een opname maken. Het werd meer dan zomaar een opname: ze maakten een helemaal nieuwe, af en toe hilarische versie van dat bizarre lied (’Daer wierd gehouden een banket, /Het hoofd werd op de tafel gezet’).
Een ander plan, eveneens vier of vijf jaar geleden ontstaan, had betrekking op een bijzonder liedboek: het Chansonnier van Hieronymus Lauweryn van Watervliet. Deze edelman, vader van geleerde en humanistische zonen, diende opeenvolgende Habsburgse vorsten als tresorier en hield grote staat.
Het liedboek van Lauweryn is om allerlei redenen bijzonder. Er staan heel wat Latijnse en Franse composities in, zoals gebruikelijk was in die tijd. Opvallend genoeg zijn ze bijna allemaal driestemmig: het zijn werken voor kleine bezetting en waarschijnlijk werden ze bij Hieronymus thuis gezongen. Het boek heeft in elk geval het karakter van een persoonlijk verzamelalbum: de liederen zijn door verschillende personen geschreven en een duidelijke ordening is niet te ontdekken. Het is alsof Lauweryn bijdragen vroeg aan bekende zangers en componisten met wie hij in contact kwam. Het is dan een soort muzikaal album amicorum. Een opvallende groep vormen de 25 Nederlandse liedjes die door het hele Chansonnier verspreid staan. Nederlandse liederen zijn zeldzaam in bronnen van rond 1500 en 25 liederen bij elkaar is des te opvallender. Het mooie is dat alle composities in deze bron volledig van tekst zijn voorzien (in veel meerstemmige bronnen staan alleen de beginwoorden van de tekst). De liedjes zijn dus te zingen. Maar daar begint meteen een probleem, een probleem dat meteen ook aan de oorsprong van het plan stond om iets met deze liederen te doen.
Peter de Groot kende de liederen, ik kende een paar ervan zo’n beetje. Ik moest helpen bij het begrijpelijk maken van de teksten, de zangers van het Egidius Kwartet zouden ze dan wel zingen. Maar wat stond er nu precies? De drie stemmen hadden soms een tekst die van elkaar verschilde. Niet ingrijpend - het komt wel vaker voor dat de ene stem een heel andere tekst zingt dan de andere stemmen - maar juist zo gering dat je ze in eerste instantie opvat als fouten. Je probeert de verschillen weg te poetsen, zorgt dat alledrie de stemmen dezelfde tekst te zingen krijgen. Tekstkritiek heet dat. Maar als ik me met Middelnederlandse teksten bezighoud, probeer ik juist zoveel mogelijk recht te doen aan wat er in de bron staat. De opvatting dat ik als moderne onderzoeker zou weten wat de enig juiste tekst is, is sinds lang achterhaald. We hebben een middeleeuwse bron, we weten dat die gefunctioneerd heeft, dus nemen we alles wat er staat serieus. Zou dat ook niet mogelijk zijn met die meerstemmige liederen? Konden we niet de drie zangers elk hun eigen, soms minimaal verschillende versie van de tekst laten zingen?
Ondertussen was er wel meer aan de hand met de tekst, of beter gezegd: met de tekstplaatsing. De woorden staan namelijk in dit handschrift soms op heel vreemde plaatsen. Op het eerste gezicht staan ze onder de verkeerde noten. Ritmisch lijkt het allemaal niet te kloppen. Het is niet in overeenstemming met wat er in de leerboekjes staat. Maar, opperde Peter de Groot, als we de vreemde tekstplaatsing nu eens serieus nemen? De leerboekjes hebben namelijk betrekking op muziek uit een iets latere periode. Is het niet voorstelbaar dat ze rond 1500 in Brugge andere opvattingen hadden? Laten we gewoon zingen wat er staat. En dat is gebeurd. Het plan van jaren geleden werd een project, het project werd concreter - ik besteedde er een deel van een cursus aan, studenten woonden een repetitie van het kwartet bij - en de afgelopen zomer zijn de 25 Nederlandse liederen, samen met een paar andere stukken, opgenomen. Op 2 september, tijdens het Festival Oude Muziek in Utrecht is de dubbel-cd gepresenteerd. Wat mij betreft geslaagd, maar als het om muziek gaat ben ik natuurlijk een leek. Ik weet heel wat van Nederlandse liedjes, maar als het op uitvoeren aankomt ben ik vol bewondering voor de magie van de kunst. En zo is het ook hier. Ze zingen prachtig: Peter de Groot, Marco van de Klundert, Hans Wijers, Donald Bentvelsen en, als gast op deze cd, Susan Jonkers. En het meest ontroerde mij het breekbare geluid van de tenor in Ric god wie sal ic claghen: Mijn lief is weg, ik dwaal over de heide en mijn hart is gewond. En dan zo zingen… (het volledige chanson staat nu, jaren het schrijven van deze blog, op youtube: Ric god).
http://www.egidiuskwartet.nl/
Een ander plan, eveneens vier of vijf jaar geleden ontstaan, had betrekking op een bijzonder liedboek: het Chansonnier van Hieronymus Lauweryn van Watervliet. Deze edelman, vader van geleerde en humanistische zonen, diende opeenvolgende Habsburgse vorsten als tresorier en hield grote staat.
Het liedboek van Lauweryn is om allerlei redenen bijzonder. Er staan heel wat Latijnse en Franse composities in, zoals gebruikelijk was in die tijd. Opvallend genoeg zijn ze bijna allemaal driestemmig: het zijn werken voor kleine bezetting en waarschijnlijk werden ze bij Hieronymus thuis gezongen. Het boek heeft in elk geval het karakter van een persoonlijk verzamelalbum: de liederen zijn door verschillende personen geschreven en een duidelijke ordening is niet te ontdekken. Het is alsof Lauweryn bijdragen vroeg aan bekende zangers en componisten met wie hij in contact kwam. Het is dan een soort muzikaal album amicorum. Een opvallende groep vormen de 25 Nederlandse liedjes die door het hele Chansonnier verspreid staan. Nederlandse liederen zijn zeldzaam in bronnen van rond 1500 en 25 liederen bij elkaar is des te opvallender. Het mooie is dat alle composities in deze bron volledig van tekst zijn voorzien (in veel meerstemmige bronnen staan alleen de beginwoorden van de tekst). De liedjes zijn dus te zingen. Maar daar begint meteen een probleem, een probleem dat meteen ook aan de oorsprong van het plan stond om iets met deze liederen te doen.
Peter de Groot kende de liederen, ik kende een paar ervan zo’n beetje. Ik moest helpen bij het begrijpelijk maken van de teksten, de zangers van het Egidius Kwartet zouden ze dan wel zingen. Maar wat stond er nu precies? De drie stemmen hadden soms een tekst die van elkaar verschilde. Niet ingrijpend - het komt wel vaker voor dat de ene stem een heel andere tekst zingt dan de andere stemmen - maar juist zo gering dat je ze in eerste instantie opvat als fouten. Je probeert de verschillen weg te poetsen, zorgt dat alledrie de stemmen dezelfde tekst te zingen krijgen. Tekstkritiek heet dat. Maar als ik me met Middelnederlandse teksten bezighoud, probeer ik juist zoveel mogelijk recht te doen aan wat er in de bron staat. De opvatting dat ik als moderne onderzoeker zou weten wat de enig juiste tekst is, is sinds lang achterhaald. We hebben een middeleeuwse bron, we weten dat die gefunctioneerd heeft, dus nemen we alles wat er staat serieus. Zou dat ook niet mogelijk zijn met die meerstemmige liederen? Konden we niet de drie zangers elk hun eigen, soms minimaal verschillende versie van de tekst laten zingen?
Ondertussen was er wel meer aan de hand met de tekst, of beter gezegd: met de tekstplaatsing. De woorden staan namelijk in dit handschrift soms op heel vreemde plaatsen. Op het eerste gezicht staan ze onder de verkeerde noten. Ritmisch lijkt het allemaal niet te kloppen. Het is niet in overeenstemming met wat er in de leerboekjes staat. Maar, opperde Peter de Groot, als we de vreemde tekstplaatsing nu eens serieus nemen? De leerboekjes hebben namelijk betrekking op muziek uit een iets latere periode. Is het niet voorstelbaar dat ze rond 1500 in Brugge andere opvattingen hadden? Laten we gewoon zingen wat er staat. En dat is gebeurd. Het plan van jaren geleden werd een project, het project werd concreter - ik besteedde er een deel van een cursus aan, studenten woonden een repetitie van het kwartet bij - en de afgelopen zomer zijn de 25 Nederlandse liederen, samen met een paar andere stukken, opgenomen. Op 2 september, tijdens het Festival Oude Muziek in Utrecht is de dubbel-cd gepresenteerd. Wat mij betreft geslaagd, maar als het om muziek gaat ben ik natuurlijk een leek. Ik weet heel wat van Nederlandse liedjes, maar als het op uitvoeren aankomt ben ik vol bewondering voor de magie van de kunst. En zo is het ook hier. Ze zingen prachtig: Peter de Groot, Marco van de Klundert, Hans Wijers, Donald Bentvelsen en, als gast op deze cd, Susan Jonkers. En het meest ontroerde mij het breekbare geluid van de tenor in Ric god wie sal ic claghen: Mijn lief is weg, ik dwaal over de heide en mijn hart is gewond. En dan zo zingen… (het volledige chanson staat nu, jaren het schrijven van deze blog, op youtube: Ric god).
http://www.egidiuskwartet.nl/
dinsdag 28 augustus 2007
De leeslijst, of: oude teksten op de plank
Zoals ieder jaar aan de vooravond van het nieuwe collegejaar, neem ik de literatuurlijst door die ik aan de eerstejaarsstudenten voorschotel. Naast het uitvoerige tekstboek vol fragmenten dat ik heb samengesteld en dat via de ‘dictatencentrale’ te verkrijgen is, vind ik dat ze toch ook volledige teksten moeten kennen. En elk jaar merk ik weer dat veel van die teksten niet leverbaar zijn, en dat stemt me treurug. Karel ende Elegast, Ferguut (in vertaling), Reinaert en Lanseloet van Denemerken zijn bij elke fatsoenlijke boekhandel te koop in goede uitgaven. Maar de Reis van sint Brandaan, Beatrijs, Elckerlijc en Mariken van Nieumeghen zijn niet meer te krijgen. Er zijn wel uitgaven - en soms heel behoorlijke - op internet te vinden in de onwaardeerlijke dbnl, maar een boek is toch wat anders. Maar kennelijk is er geen uitgever die er brood in ziet om dergelijke titels op voorraad te houden terwijl ondertussen de Deltareeks - waar je van had mogen verwachten dat daarin al die klassiekers een veilig onderdak hadden kunnen vinden - ophoudt te bestaan. In het Nederlandse taalgebied geen Pléiade en evenmin Penguin Classics. We zijn met te weinig om zulke uitgaven commercieel interessant te laten zijn, is vaak de reactie. Maar is dat echt waar? Met de huidige techniek zijn kleine oplagen betaalbaar, en ook gedichtenbundels blijven verschijnen - al moet ik er meteen bij zeggen dat uitgevers ook die vaak maar twee jaar tijd gunnen alvorens ze naar de ramsj worden verwezen. Misschien moeten ik en mijn collega’s in het onderwijs eens bij onszelf te rade gaan. Als we nu ieder jaar al onze eerstejaars (in Nederland, België en Duitsland zijn dat er bij elkaar meer dan vijfhonderd) de belangrijkste boeken voorschrijven, met klem zeggen dat een taal studeren nu eenmaal een investering vergt omdat je een basiscollectie nodig hebt: Van Dale, grammatica, Literatuurgeschiedenis, wat handboeken, en de Beatrijs, Reinaert, Karel ende Elegast, Gysbreght, Sara Burgerhart, Max Havelaar en zo nog wat meer. En als we ons nu eens niet verschuilen achter het cynische ‘ze kopen nooit wat, ze kopiëren meteen alles’… (waarvan ik uit ervaring weet dat het, zo algemeen gezegd, niet waar is). Als we duidelijk maken dat ieder specialisme zijn eisen stelt, dat een dokter in spe witte jassen, een microscoop en heel dure boeken nodig heeft, en dat een letterkundige veel boeken moet hebben die juist vaak helemaal niet zo duur zijn om een plank te vullen met het mooiste dat er in het Nederlands is geschreven, dan zijn uitgevers zeker geïnteresseerd, dan verschijnen er pocketreeksen met heel de canon…
Natuurlijk weet ik dat ik het allemaal te florissant voorstel. Niet voor niets heeft Prometheus de Brandaan, Beatrijs en al die andere titels uit de markt genomen, is Athenaeum - Polak & Van Gennep gestopt met de Griffioenreeks, is de Deltareeks een te vroege dood gestorven, is de Alfareeks van AUP in een sluimertoestand geraakt. En toch weiger ik dit zonder meer normaal te vinden. In een tijd waarin het woord canon op ieders lippen bestorven ligt, moet de literaire canon geen fantoom zijn, maar een tastbare plank vol bedrukt papier. Je zou haast uitgever worden om het werk ter hand te nemen. Uitgevers: kom met plannen! Minister: wees niet krenterig! Studenten: maak kennis met de canon! Lezers, cultuurdragers: ook Vondel en de Reinaert zijn klassiek (en horen op de plank naast de misschien nauwelijks gelezen Dante, Cervantes en Homerus).
Misschien kan ik over een paar jaar met iets meer plezier de leeslijst voor de nieuwe eerstejaars samenstellen.
Natuurlijk weet ik dat ik het allemaal te florissant voorstel. Niet voor niets heeft Prometheus de Brandaan, Beatrijs en al die andere titels uit de markt genomen, is Athenaeum - Polak & Van Gennep gestopt met de Griffioenreeks, is de Deltareeks een te vroege dood gestorven, is de Alfareeks van AUP in een sluimertoestand geraakt. En toch weiger ik dit zonder meer normaal te vinden. In een tijd waarin het woord canon op ieders lippen bestorven ligt, moet de literaire canon geen fantoom zijn, maar een tastbare plank vol bedrukt papier. Je zou haast uitgever worden om het werk ter hand te nemen. Uitgevers: kom met plannen! Minister: wees niet krenterig! Studenten: maak kennis met de canon! Lezers, cultuurdragers: ook Vondel en de Reinaert zijn klassiek (en horen op de plank naast de misschien nauwelijks gelezen Dante, Cervantes en Homerus).
Misschien kan ik over een paar jaar met iets meer plezier de leeslijst voor de nieuwe eerstejaars samenstellen.
woensdag 23 mei 2007
Nieuwsgierigheidsgedreven
Bij ons in de faculteit zijn weer plannen bedacht voor een herziening van de structuur. En ook al geloof ik niet zo in structuurveranderingen - het gaat veel meer om goede mensen dan om goede structuren - in dit geval zie ik er wel wat in. Er komen minder bestuurders, minder baasjes dus, en dus winnen het onderzoek en het onderwijs. Zou je denken. En zo is het ook bedoeld. Maar pakt het ook zo uit? Ik hoorde al dat er plannen zijn de regelneven die zorgen dat het onderwijs goed verloopt, dat mensen die les moeten geven dat ook gewoon kunnen doen, en die nu ‘coördinator’ heten, straks misschien wel ‘opleidingsdirecteur’ gaan heten. Mijn haren gingen overeind staan, vooral omdat ik zelf ook zo’n coördinator ben. Ik directeur? Waarom juist die term zo’n weerzien wekte, begreep ik pas goed toen ik vanmiddag de ‘Jaarrede’ las die Frits van Oostrom afgelopen week heeft gehouden als president van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen. Daarin heeft hij het over de academische wereld en de vergiftigende werking van het marktdenken. De terminologie van de markt rukt op en infecteert ons gedrag: ‘terminologie [wordt] gemakkelijk tot filosofie. Want wie directeur wordt gaat zich ernaar gedragen, en dat wil zeggen directieven uitdenken, en controleren of ze worden nageleefd.’ Dat was precies wat bij mij die weerzin opriep toen ik hoorde over ‘opleidingsdirecteuren’ die eigenlijk niet meer moeten zijn dan de mensen die het hun collega’s wat makkelijker maken om bevlogen les te geven en goed onderzoek te doen. De coördinator is een dienaar, geen directeur.
Een verandering van structuur is goed als het een versimpeling is. Als er minder top komt en meer werkvloer. Als wetenschappers meer hun nieuwsgierigheid kunnen volgen en niet gedwongen worden een gat in de markt te vinden. Van Oostrom laat met tal van voorbeelden zien waarom de universiteit ‘nieuwsgierigheidgedreven’ moet zijn en niet in de eerste plaats de markt moet volgen. Hij houdt een pleidooi voor de ziel in de academie, voor de vorming van studenten, voor de vrijheid van onderzoek. Ik denk dat die verandering waar ik in mijn faculteit mee te maken krijg (en waar ik ook zelf mee vorm aan geef) meer ruimte kan geven: voor bezieling, voor bevlogenheid, voor nieuwsgierigheid. Maar helemaal zeker ben ik niet. Daarom moet iedereen eerst die Jaarrede maar eens lezen.
Een verandering van structuur is goed als het een versimpeling is. Als er minder top komt en meer werkvloer. Als wetenschappers meer hun nieuwsgierigheid kunnen volgen en niet gedwongen worden een gat in de markt te vinden. Van Oostrom laat met tal van voorbeelden zien waarom de universiteit ‘nieuwsgierigheidgedreven’ moet zijn en niet in de eerste plaats de markt moet volgen. Hij houdt een pleidooi voor de ziel in de academie, voor de vorming van studenten, voor de vrijheid van onderzoek. Ik denk dat die verandering waar ik in mijn faculteit mee te maken krijg (en waar ik ook zelf mee vorm aan geef) meer ruimte kan geven: voor bezieling, voor bevlogenheid, voor nieuwsgierigheid. Maar helemaal zeker ben ik niet. Daarom moet iedereen eerst die Jaarrede maar eens lezen.
zondag 1 april 2007
Berlijn
Morgen op weg naar Berlijn en overmorgen aan het werk in de Staatbibliothek Preußischer Kulturbesitz. Niets is leuker dan op het web zoeken naar gedigitaliseerde handschriften en oude drukken (Gruuthuse, uiteraard, maar ook de Historiebijbel in München, en het Dyckse handschrift - met daarin Maerlants Naturen Bloeme en de Reinaert - te Münster). Maar nog leuker dan handschriften bekijken op het beeldscherm is handschriften bekijken in het echt: met het Berlijns Liederenhandschrift op tafel, met de Marienlieder van Bruder Hans in je handen, met een mooi Nederrijns getijdenboek. Perkament ruiken, echt kunnen zien hoe een boek is gebonden, voelen wat de kopiist kan hebben gevoeld. In mijn dagelijkse drukte vertel ik honderduit over oude boeken, teksten van 600 jaar geleden, maar zie ik die boeken veel te weinig zelf. Daarom is het goed weer een paar dagen tussen dat oude spul te zitten, ver van de wereld, middenin Berlijn.
Abonneren op:
Posts (Atom)
