donderdag 1 oktober 2026

Als roock vergaet des menschen leven

In februari schreef ik voor het laatst over Anthonis de Roovere en het boek dat ik over hem schrijf. Ik schreef over de geplande onderbreking in februari en maart vanwege onderwijsverplichtingen. De voortdurende aandacht die lesgeven vraagt, maakt het immers lastig rustig voort te schrijven. In april had ik de draad weer willen oppakken, maar na die maanden liep mijn leven anders dan voorzien. Mijn vader werd ziek en overleed - O doodt hoe bitter is u memorie - en Anthonis verdween naar de achtergrond, al was hij niet helemaal uit mijn gedachten.


Na die maanden in het voorjaar kwam de zomer. Ik heb gefietst, gewandeld, gelezen en nagedacht. Herinneringen aan mijn vroegste jeugd, hoe ik geworden ben wie ik nu ben, en vooral ook aan de belangstelling van mijn vader voor alles wat ik schreef. Veel ervan las hij, en als ik voor een breed publiek schreef, schreef ik in de eerste plaats voor hem. Nog in februari vroeg hij me wanneer het boek gereed was. Ik heb hem toen uitvoerig verteld over opzet en inhoud. Je kon immers nooit weten of hij het verschijnen zou meemaken.

Vanaf vandaag ben ik weer begonnen (na een maand met veel onderwijs). Ik heb alle aantekeningen weer verzameld, hier en daar gelezen wat ik al geschreven heb, vastgesteld dat ik zo ver ben dat ik niet meer terug kan. En dat wil ik ook niet. 'Duik op, Anthonis', schreef H.H. ter Balkt in zijn Laaglandse hymne waarin hij de vervlogen wereld van Brugge en de vervagende herinnering aan die door hem bewonderde dichter opriep. Duik op, zeg ik hem na. Ik schrijf verder aan het verhaal over een bijzonder dichterschap in een stad die tijdens zijn leven het centrum van de wereld was. Een stad waar drukkers experimenteerden met een nieuw medium. Waar kooplieden en edelen als pauwen rondliepen. Waar men dacht dat niets de stad kon deren. Brugge was immers een stad van koopmanschap en vrede, zo schreef De Roovere. Hoe de stad verdedigd moest worden, wist men maar nauwelijks. En een stad waar de cultuur bloeide: waar de beste schilders hun mooiste werk maakten, componisten hemelse meerstemmigheid componeerden en schunnige liederen, waar miniaturisten boeken met goud belegden en waar Anthonis de Roovere zijn mooie oeuvre schreef dat mij zo dierbaar is. 

Toen De Roovere op 16 mei 1482 overleed, schreef zijn vriend, de drukker Jan Bortoen, een klacht op zijn dood. Het begint met de woorden: 'Al dlijden dat op der aerden gheschiedt | Hoe groot verdriet // dat en acht ick niet | Sonder dlijden vander doodt alleene', of in een moderne vertaling: 'Al het leed dat er op aarde is, Hoe groot ook het verdriet, het doet me niets, Behalve dan het leed van de dood.' Grote woorden, dacht ik altijd, maar op het moment dat hij ze schreef waren ze waar, weet ik. Het leven van mensen is vergankelijk, en het verwaait als rook. Dat besef doordrong de laatmiddeleeuwse wereld, zoals Johan Huizinga indringend beschreef in Herfsttij der Middeleeuwen. En wij zijn eigenlijk niet heel anders. We schrijven verder en leven door en denken aan wie ons dierbaar zijn. En ik ga verder met het boek dat me al zo lang bezighoudt. Het moet nu af, als herinnering aan een lang vergeten dichter en aan wie er niet meer is.



Geen opmerkingen: