donderdag 1 januari 2026

Feest in Mollengijs

Tijdens zijn leven en in de jaren daarna was Lof van het Heilig Sacrament veruit de meest geliefde en bekende tekst van Anthonis de Roovere. Ik schreef er een maand geleden al over. In onze tijd is dat lofdicht een lastige tekst, het zou in moderne bloemlezingen een sta-in-de-weg zijn en hedendaagse bewerkingen en ontleningen zie ik niet gauw verschijnen. Tegenwoordig is Van der Mollenfeeste in alle opzichten de nummer één. In de late Middeleeuwen is het driemaal overgeleverd (geen slechte score voor het werk van De Roovere, waarvan de meeste teksten maar in één bron bewaard zijn gebleven), maar in onze tijd ontbreekt het zelden in bloemlezingen van Middelnederlandse gedichten, en heeft het bovendien de warme belangstelling van heel wat schrijvers.


Lichte toon, zuinig begin

Van der Mollenfeeste staat in de traditie van de dodendans of 'dance macabre', maar verschilt er op beslissende punten van (ik schreef er recent over in de bundel Writing, Dancing and Performing Death Across Late Medieval Europe). Het is lichtvoetiger, zet de verantwoording die iedereen moet afleggen in het licht van de dood minder zwaar aan, en beschrijft de lange stoet van mensen die zijn opgeroepen mee te gaan naar Mollengijs, het rijk van de mollen, met mededogen en ironie:

Hoort, beste mensen, hoort mij aan,
't Zij arm of rijk, van elke stand:
U bent gehouden heen te gaan,
U allen, naar een ander land.
De Hoogste Heer stuurt Zijn gezant:
Maak voort, want om u op te drijven
Draagt hij de prikkel in zijn hand.
Hier mag u nu niet langer blijven.
    [...]
De Paus moet met zijn kardinalen
Vertrekken uit het Vaticaan
Om naar de mollen af te dalen.
Diaken, priester, Franciscaan,
Pastoor, kanunnik, kapelaan
Ook u zult spoedig emigreren.
Kom, missionarissen, treedt aan,
U kunt de mollen gaan bekeren!
   [...]
De dames die zo mooi gekleed zijn,
U, jongedames, edelvrouwen...
Zou zonder u een feest compleet zijn?
Maar lange slepen, als van pauwen,
Coiffures, robes, bonte mouwen,
Behoeft u niet als 't feest begint.
De mollen zal dat niet berouwen,
Want die zijn immers stekeblind.
   [vertaling Peter Burger]

Juist die lichte toon vormt de aantrekkelijkheid van het gedicht en maakt het zo verteerbaar voor hedendaagse lezers, eigenlijk al vanaf het einde van de negentiende eeuw. Niet iedereen was overtuigd van die zeggingskracht. Prudens van Duyse is wel heel zuinig in De rederijkkamers in Nederland (deel 2, 1902): 'Zijn Doodendans of, zoo hij het heet, Van der Mollenfeeste, is niet zeer gelukkig. Het verhevene phantastische, het verbijsterend mysterieuse, dat er in dien middeleeuwschen dans ligt, krimpt bij den Rederijker tot een alledaagsch denkbeeld'. Al eerder wees Gerrit Kalff op dit gedicht in zijn Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde in de 16de eeuw. Hij heeft weinig goede woorden over voor het werk van de Brugse rederijker, maar dit gedicht vind hij zo gek nog niet: 'Het minst onbeteekenende gedicht van De Roovere is getiteld: "Vander Mollen feeste", een soort van doodendans'.

Van Duinkerken, Ter Braak en Van Vriesland

In 1918 verschijnt het proefschrift van G.C. van 't Hoog over Anthonis de Roovere (die liefst acht waarderende pagina's besteedt aan Van der Mollenfeeste) en in 1927 publiceert Th. de Jager Anthonis de Roovere. Een keus uit zijn werk. Ze vormen de opmaat voor de grotere bekendheid en het uitgesproken positieve oordeel over het werk van de Brugse rederijker. Anton van Duinkerken speelt daarbij een belangrijke rol. In een uitvoerige bespreking van De Jagers bloemlezing kent hij het gedicht over de mollen een belangrijke plaats toe: 'Hier ligt het begin van het dichterlike zelfbewustzijn dat de renaissance kenmerkt'. Van Duinkerken haalt het gedicht uitvoerig aan in Het eeuwige carnaval (1928) en in 1936 verschijnt Dichters der Middeleeuwen,  samengesteld door W.H. Beuken en ingeleid door Anton van Duinkerken. Menno Ter Braak, die de bloemlezing op 12 april 1936 bespreekt, schrijft over 'het aangrijpende gedicht Van der Mollenfeeste van Anthonie de Roovere († 1482), dat visioen der vergankelijkheid, dat met zijn obsedeerend rhythme alle menschen jaagt naar de eenige toekomst, het rijk der mollen' en stelt vast dat het ten onrechte onbekend is. Een paar jaar later neemt Victor van Vriesland het op in de invloedrijke Spiegel van de Nederlandsche poëzie door alle eeuwen. De Rooveres 'dodendans' heeft een stevige plaats verworven in de canon van de Nederlandse poëzie.

Pleij, Wilmink en anderen

In Het gevleugelde woord (2007) schrijft Herman Pleij: 'De Rooveres ballade Van der Mollenfeeste heeft zijn roem in de Nederlandse letterkunde gevestigd'. Pleij heeft daar zelf aan bijgedragen als docent en collega van mensen als Willem Wilmink, Hans Dorrestijn, Jacques Klöters en Jacques Kruithof, die in 1979 een reeks gedichten publiceerde met als titel Van der Mollenfeeste waarin het niet gaat om wie er genodigd waren op het feest, maar hoe het eraan toeging (waarover De Roovere zwijgt). De reeks eindig met 'maar hij wàs er wel, de mol, / en zeer in zijn humeur.'

Onder schrijvers is Anthonis de Roovere bekender dan bij het brede publiek en ik heb hem ooit als een 'poets poet' betiteld. Gerrit Komrij, H.H. ter Balkt, Paul Claes en Willem van Toorn verwijzen naar zijn werk. Claes gaf Van der Mollenfeeste een plaats in zijn eregalerij van Nederlandse gedichten, Lyriek van de Lage Landen. De canon in tachtig gedichten (2008) en Van Toorn schreef het essay  'Een metselaar uit Bruggein het tijdschrift Raster. Hij schrijft hoe hij in een bloemlezing Van der Mollenfeeste aantrof, 'en toen was ik voorgoed verkocht aan Anthonis de Roovere. Het is achteraf moeilijk te bepalen waar dat in zat. In de bijna pesterige toon waarop alle hoogwaardigheidsbekleders, wereldlijke en kerkelijke, de wacht aangezegd kregen: allemaal, zonder pardon, moesten ze naar het feest van de mollen, dat beviel mij wel.' Of Van Toorn er in zijn werk toespelingen op maakt weet ik niet. Dat is wel het geval in de thriller Het mollenfeest van de Vlaamse schrijver Dominique Biebau. De acht delen van het boek beginnen elk met een citaat: 'Maeckt u ghereet', 'Alle jonghe ghesellen fijn', en zo verder tot 'Als dlichaem sal scheeden van den gheeste' voor het laatste deel.

Oud-leraar en componist

In 1955 verschijnt De gedichten van Anthonis de Roovere van J.J. Mak, de uitgave van alle gedichten die Mak kende en aan De Roovere kon (of wilde) toeschrijven. Daarna neemt het aantal publicaties over zijn werk toe en dus ook over het feest van de mol. Maar het gedicht had ook voor 1955 al een canonieke status. Een mooie illustratie daarvan werd me aangereikt door Peter Altena die wees op de novelle Droom is 't leven (1953), het debuut van Willem van Maanen, waarin de oud-leraar Brom aan de celliste Liesje Hemeling vertelt over Van der Mollenfeeste. Altena schreef er over in Nieuw Letterkundig Magazijn, en ik laat hem graag aan het woord: 'In Broms benadering van literatuur domineert het bewonderend citeren. [...]. Geen zinnig woord van analyse wordt aan de regels toegevoegd. Het citaat van De Roovere wordt ingeleid met een soort handboekenwijsheid, waarvan de houdbaarheidsdatum reeds lang overschreden lijkt: "Anthonis de Roovere, [...], een Brugse metselaar, inderdaad. Een eigenaardige verschijning in onze letterkunde, speels en toch somber."' Wie meer wil weten, ook over de band van leraar Brom met de Nijmeegse hoogleraar Brom, leze Altena.

In de zoektocht naar de bekendheid van De Rooveres gedicht stuitte ik ook op 'Van der Mollenfeeste (een oude ballade van den dood) voor gemengd koor en een orkest samengesteld uit fluiten, clarinetten, fagot en strijkinstrumenten', in 1947-1948 gecomponeerd door Herman Strategier (1912-1988) in opdracht van het Utrechts Studenten Koor en Orkest. Strategier, geboren in Arnhem en leerling van Hendrik Andriessen, was actief als docent, dirigent en organist. Hij was bovendien een heel productief componist die een groot oeuvre schreef voor heel verschillende bezettingen. Zijn werk is geliefd bij amateurgezelschappen, en dat geldt zeker voor 'Vander Mollenfeeste'. Bij een eerste verkenning kwam ik uitvoeringen tegen van het Tilburgs Vocaal Ensemble (mei 2014 in Tilburg en Den Bosch), de Twente University Singers (december 2015), Het Haarlemse Vrouwenkoor Hoor Haar (november 2012), de Alkmaarse Oratoriumvereniging (oktober 2018), het Zaans Symfonie Orkest (november 1969 en oktober 1972), het Conservatorium Kamerkoor Enschede (2014), waarvan een opname op YouTube te beluisteren is. Het moeten er veel meer zijn.

Vraag

De speurtocht waarvan deze blog verslag doet, leverde me veel meer op dan ik kwijt kan in Duik op, Anthonis, het boek waaraan ik werk. Maar er moeten meer verwijzingen naar dit gedicht zijn in romans en gedichten, en meer bewerkingen of vertalingen dan ik ken. En er moeten ook meer uitvoeringen zijn geweest van Strategiers compositie. Misschien is er op dit moment wel een koor dat het gaat uitvoeren of plannen daarvoor heeft. Wie verwijzingen kent en denkt dat ze voor mij van belang zijn, laat het me weten!

[De voorpagina van Van der Mollenfeeste (een oude ballade van den dood) is afkomstig uit de partituur die is uitgegeven door Donemus]


dinsdag 23 december 2025

Laatste werken

Het boek over Anthonis de Roovere, noem het Duik op, Anthonis, gaat bestaan uit vijftien hoofdstukken die losjes de chronologie volgen, maar vaak een sterk thematisch karakter hebben. Die vijftien hoofdstukken zijn ondergebracht in drie delen. Het eerste volgt de jaren waarin Filips de Goede hertog was (1419-1467), het tweede gaat over de jaren waarin Karel de Stoute hertog van Bourgondië was (1467-1477) en het derde deel volgt de jaren van Maria van Bourgondië (1477-1482), die op 27 maart 1482 overleed, minder dan twee maanden voor de dood van Anthonis.

Opus ultimus

De thema's komen aan bod rond de jaren waarin ze bij uitstek relevant en actueel zijn, en toen ik meer dan twintig jaar geleden een eerste opzet maakte kwam de scholing van iemand als De Roovere in deel 1 terecht, terwijl het laatste hoofdstuk als titel 'Dans van de mol' kreeg, naar het gedicht Van der Mollenfeeste (waarover ik, maar dit terzijde, een artikel schreef dat recent verscheen, en waarover ik een van de komende dagen nog kort zal schrijven). Maar een laatste hoofdstuk over de dood vond ik, toen ik de afgelopen weken nadacht over de opzet van dat derde deel, toch wat al te obligaat. En misschien was het ook niet zo'n aantrekkelijk slot, bedacht ik. Maar wat dan wel? Het zou kunnen gaan over de laatste teksten die hij schreef, en een paar daarvan zijn verrassend genoeg goed te dateren. Zo schreef hij een nieuwjaarsgedicht voor 1480 waarin hij stadsbestuurders prijst die in de jaren daarvoor daadkrachtig de infrastructuur hadden aangepakt en de financiën op orde hadden gebracht. En kort na de dood van De Roovere verscheen er bij de drukker Gerard Leeu in Antwerpen een omvangrijke reeks gedichten waarin de heilsgeschiedenis in kort bestek aan bod komt: de schepping, het leven van Jezus en tot slot de 'vier uitersten': dood, het laatste oordeel, de hel en het eeuwig leven. De gedichten zijn alle voorzien van houtsneden en ze waren bedoeld om ter overdenking aan de wand op te hangen. Deze bijzondere uitgave heb ik eens als 'opus ultimus', het laatste werk, aangeduid. En dat bracht me op de gedachte in het laatste hoofdstuk het laatste werk van de schrijver centraal te stellen. Onder dat laatste werk zijn wat teksten die heel nauw samenhangen met de diepe crisis waarin Brugge verzeild raakt in 1481-1482.

Dood van een geliefde prinses

Na de dood van Karel de Stoute valt Frankrijk Vlaanderen binnen, gaat het slecht met de economie, en ontstaat er onrust over hoe de negentienjarige Maria van Bourgondië haar vader moet opvolgen. In een goed uitgekiend propaganda-offensief wordt Maria gepresenteerd als een onschuldige maagd die met geweld belaagd wordt door degene die haar negentien jaar eerder ten doop hield (de Franse koning Lodewijk XI) en een gedichtje van De Roovere speelt daarbij een rol. Het wordt rondgestuurd, ook naar de troepen te velde, als oproep voor hulp en steun aan soldaten in de frontlinie. 'Aenweese' staat er 'een maecht die dus vercracht es Van hem die mi ten vonten hief. [Geef steun aan een maagd die verkracht is door hij die mij boven de doopvont hield.'

Sterfbed van Maria van Bourgondië, omringd door familie en getrouwen. Houtsnede,  Excellente kroniek van Vlaenderen, Vorsterman, Antwerpen, 1531. Coll. Nijmegen UB.

Al snel is duidelijk dat Maria gaat trouwen met Maximiliaan, zoon van de Duitse keizer Frederik III. Maximiliaan maakt niet lang daarna indruk door een overwinning op de Fransen in de slag bij Guinegate (ook bekend als slag bij Blangijs). Toch is er onvrede over het optreden van Maximiliaan en de economie blijft onder druk staan. De jonge Maria wordt in die jaren als steun van het volk en het leger naar voren geschoven en als een soort stedenmaagd geprofileerd. Anthonis de Roovere levert daarvoor niet alleen dat gedichtje, hij schrijft er over  in de Excellente kroniek van Vlaanderen. Over de tragische laatste dagen van Maria vertelt de Excellente kroniek een aangrijpend verhaal. Ze raakt zwaar gewond tijdens de jacht waar ze onder haar paard terechtkomt. De laatste dagen wordt ze omringd door haar naasten: echtgenoot, kinderen en ook de Gelderse hertogskinderen Karel en Philippa van Egmond, die na de val van Nijmegen in 1473 naar het Bourgondische hof zijn overgebracht, niet vrij om te gaan waar ze wilden, maar toch als gewaardeerde familieleden. Op 27 maart 1482 overleed Maria.

Het was eens goed, het is nu mis

In het jaar voor de dood van Maria verdubbelde de graanprijs en het vertrouwen in Maximiliaan daalde. De factie van Willem Moreel, waarmee De Roovere nauw verwant was, koos steeds duidelijker partij tegen de hertog die als vreemde werd gezien. Het ging slecht in Brugge, slechter dan sinds de jaren 1430 het geval was geweest. Het leven van Anthonis was begonnen in jaren van crisis (tijdens de Brugse opstand van 1436-1438) gevolgd door decennia van relatieve rust. Maar nu, in de laatste jaren van zijn leven, was er opnieuw neergang, en een gevoel van crisis. In deze jaren schreef hij een kort refrein dat de toestand heel treffend beschrijft. Het begint zo:

Twas eens iaers goet // ten dooch nv niet

Tvolck hadde moet // theeft nv verdriet

Thadde ghelts behoet // nv min dan yet

Wien vruecht aenstoet // sanck doen een liedt

Wie dat nv doet // tvolck hem besiet 

 [Het was vroeger goed, maar nu is alles mis Het volk was opgewekt, en heeft nu verdriet. Het beschikte over geld, en heeft nu minder dan niks. Wie blij was zong toen een lied, maar wie dat nu doet wordt gek aangekeken].

In vier strofen krijgen we een beeld van mistroostigheid en wanhoop. In de laatste strofe richt de dichter zich tot vorst en vorstin, Maximiliaan en Maria: zien jullie wel dat wei vroeger wijn dronk nu alleen schraal bier kan drinken, en dat overal een diepe melancholie heeft toegeslagen?

Over dit gedicht en andere laatste werken gaat het laatste hoofdstuk: over de magistrale heilsgeschiedenis, de aangrijpende kroniek en een gedicht waarin maar weinig is overgebleven van de levenslust en het optimisme dat veel van Anthonis' werk kenmerkt. En dan raakt mijn verhaal aan de woorden van H.H. ter Balkt in zijn Laaglandse hymne 'Anthonis de Roovere': 'Dwalend langs de kramen | bij de muren, jij stadsdichter van Brugge, werd je | glimlach dunner en dunner als het dichtslibbend Zwin.'

[Illustratie: Sterfbed van Maria van Bourgondië, omringd door familie en getrouwen. Houtsnede, Excellente kroniek van Vlaenderen, Vorsterman, Antwerpen, 1531. Coll. Nijmegen UB]

 

 

 

 

zaterdag 6 december 2025

Lastig gedicht, ontroerend mirakel

'Tussen priesters en geleerden', is de (werk)titel van het hoofdstuk waaraan ik de afgelopen week heb gewerkt. In dat hoofdstuk speelt de Lof vanden Heilighen Sacramente een hoofdrol, een gedicht dat Anthonis de Roovere omstreeks 1456 schreef en dat van al zijn gedichten de grootste verspreiding kende. Het is bekend uit zeven middeleeuwse handschriften, waarvan drie nog tijdens De Rooveres leven geschreven zijn. En het is in 1478 gedrukt bij Gheerart Leeu in Gouda. Het is daarmee de eerste gedrukte Nederlandstalige tekst van een toen nog levende auteur. Anthonis was, kortom, de eerste auteur uit de Nederlandse letterkunde die een tekst van zichzelf in druk heeft zien verschijnen. Later verscheen het nog tweemaal in druk.

Lof vanden heilighen Sacramente, gedicht van Anthonis de Roovere, opgehangen in de Sint Salvator te Brugge.

Een geschenk
Ik heb niet alleen aan dat hoofdstuk gewerkt, ik bereidde ook een lezing voor die ik vandaag, 5 december, hield tijdens een mooie en inspirerende conferentie met zo'n 25 collega's. Daar was de casus van het Lofdicht van De Roovere een van de voorbeelden in een betoog over de lange geschiedenis van religieuze gedichten. De Roovere schreef zijn gedicht in het midden van de vijftiende eeuw, en nog aan het begin van de zeventiende eeuw verscheen het in druk.
Voor de filoloog in mij, die houdt van verschillende versies, een complexe tekstoverlevering, een reeks van bewerkingen en van passages die volop vragen oproepen, is dit gedicht een geschenk. Maar wie zijn lezers mee wil nemen, weet dat te veel uitweidingen over varianten, bewerkingstechnieken, tekstoverlevering en emendaties het recept zijn om die lezers van je te vervreemden. Dat roept dus de vraag op hoe ik over dit lofdicht van De Roovere ga schrijven. Bij geen van de hoofdstukken in het boek waaraan ik werk, is de spanning zo groot tussen wat ik twintig jaar geleden had willen schrijven, toen ik me voornam een primair wetenschappelijke studie te schrijven, en het boek waaraan ik nu werk, waar ik een publiek voor ogen heb dat veel breder is. Naast vakgenoten heb ik ook geïnteresseerde niet-specialisten voor ogen (en wel in de eerste plaats mijn vader, die vorige week nog vroeg wanneer hij een hoofdstuk zou kunnen lezen).

Lastig en complex
Het lofdicht op het Heilig Sacrament is de grootste berg in het oeuvre van De Roovere. Het werpt meer problemen op dan de veel langere Excellente kroniek van Vlaanderen of het enige bewaarde lange toneelstuk Quicunque vult salvus esse, waarin een jood, een moslim en een christen in discussie gaan over de vraag hoe iemand die gelovig is, moet leven. De christen komt er nogal bekaaid af. Maar de Lof vanden heiligen Sacramente is veel lastiger om te bespreken. En dat komt door de inhoud, theologisch complex en voor een belangrijk deel gebaseerd op een werk van de mysticus Jan van Ruusbroec, en ook door de grote overlevering. Wie alle finesses van dit gedicht wil behandelen heeft meer dan één hoofdstuk nodig, en die ruimte heb ik niet. Of in elk geval, die sta ik mezelf niet toe. Alle details beschrijven zou veel, en misschien wel te veel vergen van het publiek. Ik moet dus op een andere manier omgaan met deze berg in het oeuvre. 
Uiteindelijk moet ik deze berg beschrijven alsof het een mooie en begaanbare heuvel is, niet omdat ik het probleem als een olifant in de kamer wil negeren, maar omdat ik de lezers die ik nu voor ogen heb niet wil opzadelen met alle details die filologen zouden willen weten, want ze zijn niet voor elke lezer even relevant. Daarmee maak ik het mezelf niet per se makkelijk. Het is van belang om de betekenis van al die versies, varianten en bewerkingsstrategieën duidelijk te maken zonder me te verliezen in details.

De berg begaanbaar maken
De lezing die ik vandaag gaf was een mooie vingeroefening. Ik begon mijn verhaal met de gebeurtenis die vermoedelijk de aanleiding vormde tot het schrijven van het lofdicht: de miraculeuze genezing van een Brugse kleuter en zijn moeder. Lastige kwesties hebben immers vaak een aanleiding in alledaagse problemen. Het antwoord op de wonderbaarlijke genezing van zoon en moeder, vergde in de ogen van Anthonis de Roovere een gedegen theologisch antwoord (dat vervolgens in goede aarde viel bij Brugse geestelijken). Nu laat ik dat complexe antwoord even voor wat het is, en eindig ik met het verhaal van het wonderbaarlijke mirakel dat in Breda plaatsvond in 1456: Jan Dirks zoon en Paulina zijn vrouw hadden een zoontje van vier, Cornelis, dat ernstige spastische aanvallen had. Na negen maanden gingen ze ten einde raad naar Breda naar het heiligdom van het heilig Sacrament van Niervaart. Het kind genas, en kort daarna, na terugkeer in Brugge, beviel zijn moeder van een tweede kind. Dat kind maakte het goed, maar Paulina werd ernstig ziek en ze besloot voor een tweede keer naar Breda te trekken, waar ook zij genas.
Door het verhaal te vertellen over een mirakel en het theologische antwoord daarop, maak ik de berg begaanbaar. En zo weet ik nu hoe ik de Lof vanden heiligen Sacramente moet aanpakken, dat meest verspreide, in zijn eigen tijd meest beroemde en ondertussen knap ingewikkelde gedicht. Vanmiddag, tijdens mijn lezing in Huize Heyendael, lukte dat in elk geval.

maandag 17 november 2025

Sotte amoureusheit

Het is het bijzonderste stel in het werk van Anthonis de Roovere: Pantken en Pampoeseken, de twee geliefden die centraal staan in de Sotte amoureusheit, een gedicht waarin de zotheid en de liefde samengaan. Die 'genre-aanduiding' kende De Roovere vermoedelijk uit Franse voorbeelden. Zo is er een 'sotte amoureuse' uit Amiens, te vinden in een Art de rhetorique, een tekst over de kunst van het dichten, voorzien van talrijke voorbeelden.

Boerenpaar. Meester van het Amsterdamse Kabinet, 1470-1475. Collectie Rijkmuseum Amsterdam.


In De Rooveres gedicht is Pantken, de man, aan het woord: 'Ick heete Pantken, mijn lief Pampoeseken'. De namen moeten in de vijftiende eeuw, net als nu, meteen de suggestie hebben gewekt dat het hier niet om een doorsnee liefdespaar gaat. Willem Wilmink, die het bespreekt in Mijn Middeleeuwen uit 1998, vertaalt dat eerste vers met 'Mijn naam is Pandje, mijn lief heet Poezenwind', twee grappige namen, terwijl J.J. Mak in zijn uitgave van de gedichten de namen van een korte toelichting voorziet waaruit blijkt dat hij zich er niet goed raad mee weet: 'zelfbedachte namen?'. Naast het schrijven aan de hoofdstukken van een boek, lees ik deze weken alle gedichten van De Roovere nog eens aandachtig door, en ik bleef meteen haken aan dat eerste vers. Zijn het echt zomaar grappige namen? Waarom koos Anthonis juist deze woorden?

Pantken is het verkleinwoord van 'pant', een woord dat heel wat betekenissen heeft. We kennen het als naam voor een gebouw, als deel van de woorden onderpand en verpanding, waar het slaat op bezit dat je aan een ander beschikbaar stelt in ruil voor een (vaak financiële) tegenprestatie. En in het Middelnederlands Woordenboek (MNW) heeft het ook de daarvan afgeleide betekenis 'schat', gebruikt voor een beminde. Zou dat hier niet meeklinken? En wekt het dan niet meteen een milde glimlach als de verteller van dit gedicht zich voorstelt als 'Ik heet Schatje'? En zijn geliefde dan? Is Pampoeseken zomaar een naam, waarin het woord 'poes' doorklinkt, zoals Wilmink suggereert? Ook hier biedt het woordenboek een reikende hand, maar in dit geval het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Daar staat bij het lemma 'Papoesje' het volgende: PAMPOESJE —, znw. vr., mv. -s. Uit perzisch papoesj. Het gaat hier om een pantoffel met oosterse herkomst. Het roept meteen de internationale markt van Brugge op, waar goederen uit alle windstreken te koop waren. En die pampoesjes waren misschien net iets te sjiek voor het stel dat De Roovere in dit gedicht neerzet, maar ze dragen wel bij aan het ontregelende en daarmee komische karakter van dit gedicht. En nu ben ik pas in vers 1.

De Sotte amoureusheit is tegenwoordig een heel geliefd gedicht dat in geen bloemlezing ontbreekt. Gerrit Kalff dacht er anders over en spreekt in Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde in de 16de eeuw (1889) over 'de schildering van een paar walgelijke gelieven', waaraan hij toevoegt: 'Kieschen smaek kan men trouwens niet verwachten' bij deze schrijver. G.C. van 't Hoog reageert daarop: 'Ik kan niet anders dan Kalff verbaasd aanzien' en hij maakt treffend duidelijk hoe scherp en grappig het gedicht is, en dat het heel verwant is met vergelijkbare voorstellingen, zowel in de literatuur als in de beeldende kunst. Mij deed het meteen denken aan de boerenparen van de Meester van het Amsterdamse Kabinet rond 1470, precies in de jaren waarin Anthonis zijn gedicht schreef dat begint met de woorden 'Ik heet Schatje, mijn lief Pantoffeltje'.

Morgen schrijf ik verder, en ga ik opnieuw een gedicht te lijf. En ook dan is het weer de vraag of ik verder kom dan het eerste vers.

vrijdag 7 november 2025

Tussen Leek en Brugge

Weinig geschreven deze week. Een andere week dan de voorgaande, vooral omdat ik woensdagavond een lezing gaf in Leek, het dorp waar ik van mijn 9e tot mijn 18e woonde. Het is het dorp van lagere school en middelbare school. En de plaats waar in 1425 het slot Nienoord gesticht werd door Wigbold van Ewsum en Beetke van Rasquert, twee van de invloedrijkste edellieden die Groningen heeft voortgebracht. Die stichting viel middenin de jaren waarin de Gelderse hertog Karel van Egmond landsheer was van de stad Groningen en de ommelanden. Over die jaren vertelde ik in mijn lezing voor de Historische Kring Leek. Het was een mooie avond, en het was fijn dat mijn ouders er waren, dat ik bij hen logeerde en de volgende ochtend om zeven uur aan het ontbijt zat omdat ik om elf uur weer in Nijmegen moest zijn. De lezing, lang gepland voor ik wist dat ik deze maanden aan het schrijven van een boek wilde besteden, hield me van dat schrijven af. En toch is het geen verloren week.


Feest in Brugge

Deze week houd ik me ook bezig met het hoofdstuk waarin de Excellente kroniek van Vlaanderen en het huwelijk van Karel de Stoute en Margareta van York centraal staan. 'The marriage of the century' noemde Christine Weightman de bruiloft die in juli 1468 plaatsvond in Brugge. Het was een van de meest imposante Bourgondische feesten en er werd door heel Europa met aandacht naar gekeken. De gasten kamen uit de hele toen bekende wereld, er waren dagenlang intochten, banketten, een spectaculair riddertoernooi. Brugge was in die julidagen het centrum van de bourgondische 'theaterstaat', waarin de vorst zijn positie benadrukte met pracht en praal en via die publieke vertoningen voelbaar maakte wat macht was.

Steekspel van de Gouden Boom in Brugge, juli 1468. Tekening in Douai Bibliothèque Municipal, Hs. 1110

Die 'marriage of the century' is door talrijke auteurs beschreven. Ik hield in mei 2009 een lezing over al die verschillende perspectieven op dezelfde gebeurtenissen (gepubliceerd in 2013 als 'Scattered voices. Anthonis de Roovere and other reporters of the wedding of Charles the Bold and Margaret of York'). De ene auteur had toegang tot de privé-vertrekken van de hertog, een ander was aanwezig bij de voltrekking van het huwelijk in het stadhuis van Damme, de een zag een ridder die een draak versloeg, de ander zag een een beeld van Sint Joris, velen beschreven de pracht en praal van de intocht van vorst en vorstin, en een van hen vermeldde dat het de hele dag regende (een Engelse bezoeker die tot het kamp behoorde dat vijandig stond tegenover Margareta).


Anthonis als kroniekschrijver

Deze gebeurtenissen, die vanuit allerlei perspectieven beschreven zijn, bieden een mooi uitgangspunt om te laten zien hoe Anthonis de Roovere als geschiedschrijver opereerde. Hij was namelijk niet alleen de dichter van heel wat gedichten en teksten voor toneel, maar hij schreef ook aan de Excellente kroniek van Vlaanderen. De Brugse versie is overgeleverd in een gedrukt boek uit 1531 en in tal van handschriften, waarvan de meeste dateren uit de jaren meteen na de dood van De Roovere. De kroniek werd in die jaren ingezet als legitimatie voor de positie van de tegenstanders van Maximiliaan van Oostenrijk, die vanaf 1478 een steeds grotere greep op de bourgondische landen kreeg en in Brugge niet erg geliefd was (hij werd er in 1488 gevangen gezet). De kroniek van De Roovere kreeg na zijn dood een uitgesproken politieke betekenis. Deze week heb ik vooral al die verschillende teksten er weer bij gepakt, en de aantekeningen die ik er jaren geleden over maakte, om grip te krijgen op de teksten waarin de bruiloft van 1468 is beschreven, en op de versies van De Rooveres kroniek en op de bronnen die hij heeft gebruikt.  Het hoofdstuk waaraan ik nu werk gaat over de Bourgondische feestcultuur en over de rol van De Roovere als geschiedschrijver. Zijn positie verschilde van die van de Franstalige hofschrijvers, hij vertelt een ander verhaal. Dat andere verhaal krijgt een belangrijke plaats in Duik op, Anthonis! Het is het verhaal van Brugse ambachtslieden, stedelijke magistraten en van de arme sloebers voor wie het niet alle dagen feest was.


Kort naschrift

Veel Gelre en Groningen deze week, maar toch met een Brugse connectie. Johan van Ewsum, zoon van Beetke en Wigbold, had nauwe relaties met het hof van Karel V en met Johan van Ligne, heer van Arenberg en stadhouder van Groningen en Friesland. In of kort na 1553 stuurde hij een gedicht naar Johan van Ewsum over de genadeloze verwoesting van de Vlaamse stad Terwaan (Therouanne) in de zomer van 1553. Het gedicht was van de hand van Eduard de Dene, die een paar jaar later, in 1562, de Rhetoricale Wercken van Anthonis de Roovere uitgaf.




vrijdag 31 oktober 2025

Het begin (tweemaal)

Hoe begin je, vroeg iemand me begin van de week. en ik wilde vertellen wat ik de afgelopen weken gedaan heb: bijna drie weken geleden begon ik te schrijven aan een boek. Jarenlang onderzoek, meer dan twee meter hangmappen met aantekeningen, een uitgewerkte opzet in vijftien korte hoofdstukken. Alles lag klaar. Maar als je echt aan de slag gaat, blijkt het toch anders te gaan dan je bedacht had, heb je toch behoefte aan wat aanvullend onderzoek, besluit je alle gedichten nog weer eens grondig door te lezen, en stel je plannen bij. En hoewel er een duidelijke opzet klaarlag, begon ik niet met hoofdstuk 1 maar met hoofdstuk 3, met als voorlopige titel 'Moge de heilige Geest hem verlichten'. In week 2 werkte ik aan hoofdstuk 7, 'Op de planken' , dat misschien hoofdstuk 6 wordt. En deze week schreef ik aan hoofdstuk 1, dat me lastiger viel dan de andere hoofdstukken (en daarom durfde ik ook pas in de derde week aan hoofdstuk 1 te beginnen). 

Maar de vraag 'Hoe begin je?' was anders bedoeld: hoe begin je het boek waaraan je werkt? Leg je eerst allerlei overwegingen uit over de keuzes die je gemaakt hebt? Begin je omstreeks 1430, in de jaren waarin De Roovere geboren moet zijn? En begin je met een hoofdstuk over zijn jeugd, ook al is er niets bekend over de jaren voor hij 17 was (toen hij een wedstrijd won en Prins van Retorica werd)? En degene die me die vraagt stelde deed meteen ook een suggestie: waarom begin je niet met de dood van je hoofdpersoon? Daarover is immers wel iets bekend. We weten dat Anthonis de Roovere op 16 mei 1482 overleed en dat hij nog in de kracht van zijn leven was. Beginnen met het einde is een retorisch middel om de lezer meteen midden in je onderwerp te krijgen, en het voorkomt dat je een louter fictief hoofdstuk moet schrijven over de vermeende jeugd van de hoofdpersoon. Het is helemaal geen gek idee, en ik heb er ook wel over nagedacht, maar ik had die mogelijkheid vervolgens verworpen. Dat had te maken met twee eerdere publicaties.

Op 22 mei 1918 verdedigde Gerrit Cornelis van 't Hoog zijn academisch proefschrift Anthonis de Roovere aan de universiteit van Amsterdam, 'des namiddags te 4 uur'. De studie geeft een goed overzicht van de werken die De Roovere schreef, het vormt een pleidooi voor de kwaliteit van zijn werk (en is polemisch tegen eerdere onderzoekers die het werk maar nauwelijks waardeerden) en het is fragmentarisch van opzet. Het boek van Van 't Hoog begint als volgt: 'Laten we maar beginnen met het einde!' En dan volgt een uitweiding over een kort gedicht waarin de dood van De Roovere gememoreerd wordt. Een mooi begin, maar dat wilde ik niet herhalen.

En dan Maerlants wereld, een boek waarvan mijn uitgever zei dat ik er nog maar eens naar moest kijken ter inspiratie. Frits van Oostrom begint zijn boek met de woorden: 'Zijn graf is al een boek op zich.' Een ijzersterk begin. Maar dat kon ik niet herhalen. Ik wilde  Van 't Hoog en Van Oostrom niet imiteren - 'anxiety of influence' kun je dat noemen. Beginnen met de dood van de hoofdpersoon van mijn boek was voor mij dus geen optie. Maar hoe begin je dan?

In de eerste opzet voor Duik op, Anthonis! (dat toen, zo las ik in aantekeningen van twintig jaar geleden, Anthonis de Roovere, gehoorzame rebel heette) noemde ik het eerste hoofdstuk 'Brugse bloei'. Nog steeds wil ik beginnen met een hoofdstuk over de grote bloei van de stad waarin De Roovere leefde. Maar Brugge kende in zijn jeugdjaren een diepe crisis en een opstand tegen de hertog. Het eerste bezoek aan van de hertog aan die stad, besloot ik, vormt de opening van hoofdstuk 1:

Op blote voeten, met onbedekte hoofden, gekleed in eenvoudige gewaden en zonder gordel: iedereen die er toe deed in Brugge stond op 11 december 1440 buiten de muren van de stad, in afwachting van Filips de Goede, hertog van Bourgondië en graaf van Vlaanderen. In het grote gevolg dat hem vergezelde was er een ereplaats voor Charles d'Orléans, de dichter van verzen als 'En la forest de longue attente' [In het woud van lang verwachten]. Hij was enkele maanden eerder, na 25 jaar Engelse gevangenschap, vrijgekomen uit de Tower van Londen.

Maar voor ik de lezer meevoer naar het Brugge van de vijftiende eeuw, wil ik iets vertellen over de manier waarop we zijn werk kennen, en ook over de grote roem voor zijn werk, gevolgd door verguizing in de 18e en 19e eeuw, en dan de herwaardering in de twintigste eeuw. In een proloog schrijf ik daarom over die bronnen, en schets ik alvast heel beknopt wat er over het leven van De Roovere bekend is. Het begin van die proloog, en dus het echte begin, zal er ongeveer zo uitzien:

Op 16 juni 1562, tachtig jaar en één maand na zijn sterfdag, verscheen het verzameld werk van Anthonis de Roovere in Antwerpen, gedrukt door Jan van Ghelen, gevestigd op de Lombarde Vest in de 'Witten Hasewint'. De Rhetoricale Wercken van Anthonis de Roovere, zoals dit boek op de titelpagina wordt aangekondigd, was samengesteld door Eduard de Dene, Bruggeling, net als Anthonis, en pleitbezorger van zijn werk.

Twee beginnen, voorlopig. Na bijna drie weken ben ik echt begonnen. Gaat het lukken, dat boek over De Roovere, vroegen mensen me de afgelopen maanden. En mijn antwoord was steevast: vraag me maar als ik twee weken bezig ben. Nu durf ik wel ja te zeggen. Tot eind januari werk ik er vrijwel dagelijks aan, en dan, na een paar maanden onderwijs, ga ik eind mei weer volop verder. Aan het einde van 2026 moet het gereed zijn.


woensdag 22 oktober 2025

Erbarmelijke rimram, en een jarenlang avontuur

Gisteren las ik op Facebook over Anthonis de Roovere. Jacques Klöters schreef, naar aanleiding van herinneringen aan colleges van Herman Pleij over de vijftiende eeuw:

Er was in die tijd een cabaretschrijver geweest: Anthonis de Roovere. Er bestond toen nog wel geen cabaret, maar er ontstonden wel artistieke clubjes, rederijkerskamers, waar men elkaar vrolijke of scherpe gedichten voorlas en waar ze ook gezongen werden.

Hij schrijft dat hij zich door dat werk liet inspireren en een van De Roovere gedichten vertaalde en er een cabaretliedje van maakte. Klöters is niet de enige die het werk van De Roovere waardeert. Ook Gerrit Komrij, Willem Wilmink, Willem van Toorn en Hans Dorrestijn zijn of waren verklaarde liefhebbers van zijn gedichten. En uiteraard H.H. ter Balkt. Hun waardering sluit moeiteloos aan op de grote lof die de Bruggeling al tijdens zijn leven kreeg: als zeventienjarig werd hij Prins van Retorica vanwege een gedicht waarmee hij een wedstrijd won (het gaat over vraag of het hart van een moeder kan liegen), vanaf 1466 kreeg hij een riante jaarlijkse toelage waarmee hij feitelijk de eerste stadsdichter in de Nederlanden was, veel van zijn werk verscheen in druk en tachtig jaar na zijn dood werden zijn verzamelde gedichten uitgegeven door Eduard de Dene uit grote bewondering voor dit werk. En daarmee was Anthonis de eerste Nederlandse dichter van wie het werk uit literaire motieven was verzameld en werd gepubliceerd. Maar de herontdekking van zijn werk in de achttiende en negentiende eeuw ging met heel wat minder waardering gepaard.

Constant A. Serrure wijdt in zijn Geschiedenis der Nederlandsche en Fransche letterkunde in het graefschap Vlaenderen van de vroegste tyden tot aen het einde der regering van het huis van Burgondie (1855) zes pagina's aan De Roovere, en hoewel er een paar gedichten zijn die hem bevallen, schrijft hij genadeloos over het overgrote deel van zijn werk:

wanneer de Roovere geleerdheid wil uitkramen, en het hoogste der kunst van den, destijds in zwang zynden rederykers trant, bereiken, dan gebruikt hy zulken erbarmelyken rimram. zulke opeenstapeling van bastaerdwoorden, dat men zijne stukken niet kan lezen.

En terwijl Serrure het werk niet kan lezen, ook Loosjes kan het nauwelijks verdragen, schrijft hij in Characterkunde der vaderlandsche geschiedenisse (deel 2, 1786): "Dit waarlyk mag vermoeiend beuzelen heeten. Het enkel afschrijven verveelt; doch wy mogen zulke echte gedenkstukjes niet overslaan in onze Characterkunde." Toegegeven: het betreft een uiterst kunstig rederijkersgedicht. Maar het zijn dergelijke typeringen die de toon zetten. En terwijl je van historici en literatuurhistorici niet mag verwachten dat ze van alle teksten houden die ze tegenkomen, van een tekstuitgever verwacht je toch een wat welwillender houding. Zeker, er zijn gedichten die Mak als juweeltjes typeert, maar over de volle breedte van zij oeuvre is hij toch eerder terughoudend. Over een aantal aspecten is hij zelfs uitgesproken negatief in zijn oordeel. Het duidelijkst waar het de compositie van de gedichten betreft.

Aan het einde van een uitweiding over de vraag of De Roovere niet alleen metselaar was maar misschien zelfs stadsbouwmeester, een suggestie die Van 't Hoog in 1918 deed in zijn dissertatie Anthonis de Roovere, besluit Mak stellig dat hij geen architect geweest kan zijn (en daarin val ik hem bij), en dan gaat hij verder:

Mocht hij trouwens bijzondere bouwkundige kwaliteiten hebben bezeten, dan zouden zijn gedichten de sporen daarvan vertonen. Welnu, indien er iets is dat ons daarin pijnlijk treft, dan is het juist het volslagen onvermogen. De compositie, de bouw van zijn balladen en refreinen is het zwakste punt, dat is buiten kijf. (p. 13-14)

Al meteen in het voorwoord van de editie waarschuwt Mak zijn lezers: "Indien ik van te voren alle moeilijkheden aan dit filologisch pionierswerk verbonden had gerealiseerd, ik weet niet of ik de moed had kunnen opbrengen er aan te beginnen." (p. 5)

Nu ik haast dertig jaar met De Roovere bezig ben, tal van gedichten heb geëditeerd, heb geprobeerd de vragen die het werk oproept van antwoorden te voorzien, de indruk krijg dat ik steeds beter begrijp wie de mens achter de gedichten geweest moet zijn (al blijft de altijd onoverbrugbare kloof) veroorloof ik me Maks woorden heel vrij te parafraseren en naar mijn hand te zetten: Indien ik van te voren had geweten hoeveel de jarenlange omgang met gedichten kan opleveren, ik weet zeker dat ik opnieuw aan het avontuur zou beginnen.